Praat met je klasgenoot en vertel:
- Welke puzzel zin/zinnen jij hebt gekozen
- Waarom jij die puzzel zin raar of vreemd vindt
Gebruik deze puzzel zinnen/vragen:
“Ik snap niet waarom hij/zij …”
“Ik vind het raar dat (naam) …”
“Waarom doet hij/zij…?”
👉 Luister naar elkaar
👉 ik loop rond