dinsdag 9 juni

Dinsdag 9 juni 2026
09.15 uur 10.00 uur Engels 
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur  thema 4  
les 4.1  mijn werkdag.
13.05 - 13.50 uur NT2  Grammatica: Scheidbare werkwoorden
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur Grammatica : Scheidbare werkwoorden
11.05 - 11.50  uur  ICT
11.50- 12.35  uur  Rekenen
1 / 40
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Dinsdag 9 juni 2026
09.15 uur 10.00 uur Engels 
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur  thema 4  
les 4.1  mijn werkdag.
13.05 - 13.50 uur NT2  Grammatica: Scheidbare werkwoorden
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur Grammatica : Scheidbare werkwoorden
11.05 - 11.50  uur  ICT
11.50- 12.35  uur  Rekenen

Slide 1 - Slide

Engels
Met mevrouw MIEKE

Slide 2 - Slide

Les 4.1 Mijn werkdag

Slide 3 - Slide

NT2 - boek thema 4, les 4.1
We beginnen samen met:
  • de instructie (we luisteren naar de tekst;)
  • we bespreken de blauwe woorden;
  • we maken samen opdracht 3 en 9.

Dan maak je zelf:
  • opdr 5,  6, 7, 8, 

Slide 4 - Slide

beschrijven (werkwoord)
  • Ik beschrijf, hij beschreef, wij hebben beschreven;
  • Vertellen aan iemand hoe iets of iemand eruit ziet,
  • Aan iemand vertellen wat je ziet;
  • Zin: Ik beschrijf hoe mijn klasgenoten eruit zien.

Slide 5 - Slide

opstaan (scheidbaar werkwoord)
  • ik sta op, hij stond op, wij zijn opgestaan;
  • uit je bed komen;
  • van zitten naar staan;
  • Zin: Ik sta elke dag om 07.00 uur op.

Slide 6 - Slide

aantrekken (scheidbaar werkwoord)
  • ik trek aan, hij trok aan, wij hebben aangetrokken;
  • kleding aandoen;
  • Zin: Ik moet elke dag bedenken welke kleding ik wil aantrekken.

Slide 7 - Slide

uitzoeken (scheidbaar werkwoord)
  • ik zoek uit, hij zocht uit, wij hebben uitgezocht;
  • een keuze maken uit een aantal dingen;
  • Zin: Ik heb zoveel kleding. Ik moet uitzoeken welke kleding ik aan wil doen.

Slide 8 - Slide

aanwijzen (scheidbaar werkwoord)
  • ik wijs aan, hij wees aan, wij hebben aangewezen;
  • iets laten zien door er met je vinger naar te wijzen;
  • Zin: Het meisje wijst de juiste foto aan.

Slide 9 - Slide

oplossen (scheidbaar werkwoord)
  • ik los op, hij loste op, wij hebben opgelost;
  • het antwoord op een probleem vinden;
  • Zin: Kan jij deze puzzel oplossen?

Slide 10 - Slide

Opdracht 3: Wat doet Iza op een werkdag?
Luister naar de tekst. Wat doet Iza op een werkdag? Wat doet ze eerst? Wat doet ze daarna? Wat doet ze ten slotte (als laatste)? Schrijf de getallen 1 t/m 10 onder de plaatjes.

Slide 11 - Slide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 12 - Slide

ICT met mevrouw Danielle
Leren werken met de laptop.

Slide 13 - Slide

REKENEN 
met meneer Antoon

Slide 14 - Slide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 15 - Slide

Grammatica Les 29
Vandaag gaan we Scheidbare werkwoorden  behandelen
Aan het eind van de les weet  je hoe je deze woorden   moet vervoegen en schrijven.

Slide 16 - Slide

Scheidbare werkwoorden
Scheiden betekent in twee stukken verdelen
Voorbeelden

  • opbellen                                  op - bellen
  • aankomen                              aan - komen
  • meebrengen                         mee - brengen
  • aanpassen                              aan - passen

Slide 17 - Slide

Voorbeelden

opbellen
Wanneer bel je mij op?
Ik bel je morgen op.

aankomen
Wanneer komt de trein aan?
De trein komt om 10 uur aan.
meebrengen
Breng je iets voor mij mee?
Ja, ik breng iets lekkers voor je mee. 

aanpassen
Wanneer pas jij je aan?
Ik pas mij aan als dat van mij wordt verwacht.

Slide 18 - Slide

Vervoegingen
Bij de vervoeging van een scheidbaar werkwoord komt het eerste stukje van het hele werkwoord achteraan: opbellen- ik bel op

Bij gebruik van hulpwerkwoorden (willen, moeten, zullen, kunnen, mogen)
komt het hele werkwoord achteraan: Ik wil jou opbellen.

Slide 19 - Slide

vervoegingen
hulpwerkwoorden (willen, moeten, zullen, kunnen, mogen)
weggaan: Ik ga weg. Ga je al weg? Wil je al weggaan?
binnenkomen: De mensen komen binnenKom toch binnen!
meenemen: Neem je dit pakje even mee?
                           Wil je dit pakje even meenemen?

Andere voorbeelden staan op het werkblad.

Slide 20 - Slide

OEFENINGEN 
Maak de oefeningen op het werkblad, lees goed !
Als iedereen klaar is , kijken we het samen na!

SUCCES!

Slide 21 - Slide

Antwoorden Oefening 1
  1. ja
  2. ja
  3. nee
  4. ja
  5. nee
  6. nee
  7. ja
  8. nee
  9.  ja
  10. nee

Slide 22 - Slide

Antwoorden oefening 2
  1. instappen
  2. uitslapen
  3. afwassen
  4. uitstappen
  5. dichtdoen
  6. opschrijven
  7. opendoen
  8. aandoen
  9. schoonmaken
  10. oplossen 

Slide 23 - Slide

Antwoorden oefening 3
  1. Ga je mee?
  2. Blijf ...... op? 
  3. Maak ............ klaar?
  4. trek ............. aan?
  5. Zoek ............ op!
  6. komt........... aan.
  7. maakt ........ schoon.
  8. Doe ........ dicht?
  9. Maak ...........  vast?
  10. nodigt ........ uit.

Slide 24 - Slide

Antwoorden oefening 4
hulpwerkwoorden ( willen, moeten, zullen, kunnen, mogen)

  1. U kunt bij de markt uitstappen
  2. Vanavond mag Maria tot 10 uur opblijven.
  3. Ik wil graag bij het postkantoor instappen.
  4. Jan zal nooit eens iets weggeven.
  5. U moet het geld voor 1 juli overmaken.
  6. Wilt u mij morgen opbellen?
  7. U kunt her niet instappen.
  8. Ik kan morgen niet uitslapen.
  9. U moet hier overstappen.
  10. Zal ik even afwassen

Slide 25 - Slide

Antwoorden oefening 5
  1. Ik bel je vanavond op.
  2. De wekker loopt om zes uur af.
  3. Neem je dat boek morgen mee?
  4. Hoe laat komt de trein aan?
  5. Ruim je straks de kamer op? of Ruim je de kamer straks op? 

Slide 26 - Slide

Werkwoorden die je moet knippen

Slide 27 - Slide

 scheidbare werkwoorden
scheiden = uit elkaar halen= splitsen

Slide 28 - Slide

vb aantrekken
hele werkwoord:  aantrekken
                                     aan - trekken

 Ik trek de schoen aan.
Jij trekt de schoen aan.   

enz.....

Slide 29 - Slide

uitdoen

uit - doen



Ik doe het licht uit
Jij doet het licht uit.
Hij/zij doet het licht uit.






Wij doen het licht uit.  
Jullie doen het licht uit
Zij doen het licht uit

Slide 30 - Slide

Wat is goed?

afwassen
A
Jullie wassen de borden af.
B
Jullie afwassen de borden.
C
Jullie wassen af de borden.
D
Jullie afwas de borden.

Slide 31 - Quiz

Wat is goed?

opendoen
A
Jij doen de deur open.
B
Jij doet de deur open.
C
Jij doet open de deur.
D
Jij opendoet de deur.

Slide 32 - Quiz

Wat is goed?

opstaan
A
Ik opsta altijd vroeg.
B
Wij opstaan altijd vroeg.
C
Zij staan altijd vroeg op.
D
Hij staan op altijd vroeg.

Slide 33 - Quiz

Wat is goed?

weggooien
A
Hij weggooit de bal.
B
Zij gooit de bal weg.
C
Wij weggooien de bal.
D
Ik gooi weg de bal .

Slide 34 - Quiz

Wat is goed?

uitdoen
A
Wij uitdoen de verwarming.
B
Zij uitdoet de verwarming.
C
Jullie doet de verwarming uit.
D
Wij doen de verwarming uit.

Slide 35 - Quiz

Maak zelf een zin 
Voorbeeld:
Het meisje ... (inpakken, tas)->

Het meisje pakt haar tas in.


differentiatie:
Jan en Sumeyye:
+ bijzin als, omdat, dat ... 

Slide 36 - Slide


Jullie ... (afzeggen, afspraak)

Slide 37 - Open question


Mijn ouders ... (ophalen, broertje)

Slide 38 - Open question


Wij ... (uitdoen, jassen)

Slide 39 - Open question


De buren ... (vroeg opstaan)

Slide 40 - Open question