Ik beschrijf, hij beschreef, wij hebben beschreven;
Vertellen aan iemand hoe iets of iemand eruit ziet,
Aan iemand vertellen wat je ziet;
Zin: Ik beschrijf hoe mijn klasgenoten eruit zien.
Slide 5 - Slide
opstaan (scheidbaar werkwoord)
ik sta op, hij stond op, wij zijn opgestaan;
uit je bed komen;
van zitten naar staan;
Zin: Ik sta elke dag om 07.00 uur op.
Slide 6 - Slide
aantrekken (scheidbaar werkwoord)
ik trek aan, hij trok aan, wij hebben aangetrokken;
kleding aandoen;
Zin: Ik moet elke dag bedenken welke kleding ik wil aantrekken.
Slide 7 - Slide
uitzoeken (scheidbaar werkwoord)
ik zoek uit, hij zocht uit, wij hebben uitgezocht;
een keuze maken uit een aantal dingen;
Zin: Ik heb zoveel kleding. Ik moet uitzoeken welke kleding ik aan wil doen.
Slide 8 - Slide
aanwijzen (scheidbaar werkwoord)
ik wijs aan, hij wees aan, wij hebben aangewezen;
iets laten zien door er met je vinger naar te wijzen;
Zin: Het meisje wijst de juiste foto aan.
Slide 9 - Slide
oplossen (scheidbaar werkwoord)
ik los op, hij loste op, wij hebben opgelost;
het antwoord op een probleem vinden;
Zin: Kan jij deze puzzel oplossen?
Slide 10 - Slide
Opdracht 3: Wat doet Iza op een werkdag?
Luister naar de tekst. Wat doet Iza op een werkdag? Wat doet ze eerst? Wat doet ze daarna? Wat doet ze ten slotte (als laatste)? Schrijf de getallen 1 t/m 10 onder de plaatjes.
Slide 11 - Slide
Pauze
Waar is de pauze?
Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
Waar mag je buiten zijn in de pauze?
Slide 12 - Slide
ICT met mevrouw Danielle
Leren werken met de laptop.
Slide 13 - Slide
REKENEN
met meneer Antoon
Slide 14 - Slide
Pauze
Waar is de pauze?
Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
Waar mag je buiten zijn in de pauze?
Slide 15 - Slide
Grammatica Les 29
Vandaag gaan we Scheidbare werkwoorden behandelen
Aan het eind van de les weet je hoe je deze woorden moet vervoegen en schrijven.
Slide 16 - Slide
Scheidbare werkwoorden
Scheiden betekent in twee stukken verdelen
Voorbeelden
opbellen op - bellen
aankomen aan - komen
meebrengen mee - brengen
aanpassen aan - passen
Slide 17 - Slide
Voorbeelden
opbellen
Wanneer bel je mij op?
Ik bel je morgen op.
aankomen
Wanneer komt de trein aan?
De trein komt om 10 uur aan.
meebrengen
Breng je iets voor mij mee?
Ja, ik breng iets lekkers voor je mee.
aanpassen
Wanneer pas jij je aan?
Ik pas mij aan als dat van mij wordt verwacht.
Slide 18 - Slide
Vervoegingen
Bij de vervoeging van een scheidbaar werkwoord komt het eerste stukje van het hele werkwoord achteraan: opbellen- ik bel op
Bij gebruik van hulpwerkwoorden (willen, moeten, zullen, kunnen, mogen)
komt het hele werkwoord achteraan: Ik wil jou opbellen.