NT2 Nova College les 6

Welkom!
Welkom!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom!
Welkom!

Slide 1 - Slide

NT2 Nova College les 6

Slide 2 - Slide

Programma vandaag
Werkwoorden (20 minuten)
Werken in boekjes (rest van de dag)

Slide 3 - Slide

Werkwoorden (20 minuten)

Slide 4 - Slide

doen

Ik doe de afwas.
Ik doe mijn werk.
Ik doe boodschappen.


Slide 5 - Slide

gaan

naar school gaan
naar huis gaan
naar de bakker gaan
naar de supermarkt gaan

Slide 6 - Slide

willen

koffie willen 
willen slapen 
willen eten 

Slide 7 - Slide

kunnen

kunnen koken
kunnen fietsen
kunnen zwemmen
Nederlands kunnen spreken

Slide 8 - Slide

doen
| ik | Ik doe de afwas. |
| jij | Jij doet boodschappen. |
| hij | Hij doet huiswerk. |
| zij | Zij doet sport. |
| wij | Wij doen boodschappen. |
| jullie | Jullie doen de afwas. |

Slide 9 - Slide

gaan
| ik | Ik ga naar school. |
| jij | Jij gaat naar huis. |
| hij | Hij gaat naar de bakker. |
| zij | Zij gaat naar de supermarkt. |
| wij | Wij gaan naar school. |
| jullie | Jullie gaan naar huis. |


Slide 10 - Slide

willen
| ik | Ik wil koffie. |
| jij | Jij wilt slapen. |
| hij | Hij wil eten. |
| zij | Zij wil muziek luisteren. |
| wij | Wij willen thee. |
| jullie | Jullie willen pizza. |


Slide 11 - Slide

kunnen
| ik | Ik kan fietsen. |
| jij | Jij kunt zwemmen. |
| hij | Hij kan koken. |
| zij | Zij kan Nederlands spreken. |
| wij | Wij kunnen sporten. |
| jullie | Jullie kunnen koken. |

Slide 12 - Slide

wat past bij de afbeelding?
A
De man en de vrouw doen de afwas.
B
De vrouw doet de afwas.
C
De jongen en het meisje doen de afwas.
D
Zij doen de afwas niet.

Slide 13 - Quiz

Wat zie je?
A
Zij kan niet fietsen.
B
Zij wil lopen.
C
Zij kan fietsen.
D
De vrouw is moe.

Slide 14 - Quiz

Wat doet zij?
A
haar huiswerk
B
de afwas
C
boodschappen

Slide 15 - Quiz

Wat is een goed antwoord?
Vraag:
“Waar gaan jullie naartoe?”
A
Wij willen thee.
B
Wij gaan naar school.
C
Wij doen huiswerk.
D
Wij kunnen koken

Slide 16 - Quiz

Wat is een goed antwoord?
Vraag:
“Wat wil jij?”
A
Ik ga naar huis.
B
Ik wil slapen.
C
Ik doe boodschappen.
D
Ik kan zwemmen.

Slide 17 - Quiz

Conversatie
A: Goedemorgen!
B: Goedemorgen!

A: Hoe gaat het?
B: Goed, en met jou?
A: Ook goed, dankjewel.


B: Ik doe boodschappen.
B: En jij?
A: Ik doe huiswerk.

A: Waar ga jij naartoe?
B: Ik ga naar de supermarkt.
B: En jij?
A: Ik ga naar huis.

A: Wat wil jij?
B: Ik wil koffie.
B: En jij?
A: Ik wil pizza.

A: Wat kun jij?
B: Ik kan koken.
B: En jij?
A: Ik kan fietsen.

A: Tot ziens!
B: Tot ziens!

Slide 18 - Slide

Conversatie
A: Wat doe jij vandaag?
B: Ik doe boodschappen.
B: En jij?
A: Ik doe huiswerk.

A: Waar ga jij naartoe?
B: Ik ga naar de supermarkt.
B: En jij?
A: Ik ga naar huis.

Slide 19 - Slide

Conversatie
A: Wat wil jij?
B: Ik wil koffie.
B: En jij?
A: Ik wil pizza.

A: Wat kun jij?
B: Ik kan koken.
B: En jij?
A: Ik kan fietsen.

Slide 20 - Slide

Conversatie
A: Tot ziens!
B: Tot ziens!

Slide 21 - Slide

 Zelfstandig werken in methode

Slide 22 - Slide