3 basis - grammar 9 - present simple + present continuous

grammar  - 
present simple & present continuous

1 / 15
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

grammar  - 
present simple & present continuous

Slide 1 - Slide

Wanneer gebruik je de present simple?

Slide 2 - Open question

Wanneer gebruik je de present continuous?

Slide 3 - Open question

In de present simple
Als het onderwerp van de zin he/she of it is dan:
A
zet ik een -s achter het werkwoord
B
laat ik het werkwoord staan

Slide 4 - Quiz

Present continuous
Als het onderwerp meerdere mensen zijn dan gebruik je
A
am
B
is
C
are

Slide 5 - Quiz

present simple & present continuous
Present simple - tegenwoordige tijd
- Deze tijd gebruik je om feiten, gewoonten en regelmatige gebeurtenissen aan te geven. 
- Werkwoord (take) of werkwoord +s (takes)   (SHIT REGEL)

Feit: The train arrives at six o'clock.
Gewoonte: Joe always wears a helmet at work.
Regelmatige gebeurtenis: I usually take orders from costomers.

Slide 6 - Slide

present simple & present continuous
Present continuous - duurvorm tegenwoordige tijd
- Deze vorm gebruik je om te zeggen dat iets NU bezig is of om irritatie aan te geven. 
- am / are / is + werkwoord + ing

NU bezig: I am stacking shelves right now.
Irritatie: She is always teasing me!



Slide 7 - Slide

Present simple - tegenwoordige tijd

- Deze tijd gebruik je om feiten, gewoonten en regelmatige gebeurtenissen aan te geven.

- Werkwoord (take) of werkwoord +s (takes) (SHIT REGEL)

Present continuous - duurvorm tegenwoordige tijd

- Deze vorm gebruik je om te zeggen dat iets NU bezig is of om irritatie aan te geven.

- am / are / is + werkwoord + ing

Slide 8 - Slide

Exercise 1
5x open questions
Write the right answer; 
Present Simple or Present Continuous
Only write the answer, NOT the whole sentence.

Slide 9 - Slide

Look! That boy ___ us! (watch)

Slide 10 - Open question

We always ___ to school by bus. (go)

Slide 11 - Open question

The supermarket ___ at eight. (close)

Slide 12 - Open question

He ___ the keyboards in his room now. (play)

Slide 13 - Open question

Hurry up, kids! Dad ___ the car already! (start)

Slide 14 - Open question

Ik begrijp wat ik moet doen bij grammatica.
A
Ja
B
Nee

Slide 15 - Quiz