1. La hora

¡Hola!
1 / 33
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 33 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

¡Hola!

Slide 1 - Slide

¿Qué vamos a hacer?

  • Toets bespreken
  • Leerdoel módulo 5
  • Tarea final 
  • ¡A trabajar!
  • Explicación 'la hora'
  • Los deberes

Slide 2 - Slide

Toets bespreken
  • Werkwoorden met klinkerwisseling > geen klinkerwisseling bij nosotros en vosotros
  • Leer bij klinkerwisselingen goed welke klinker er verandert. 
  • me/te/le/nos/os/lesgusta(n)/encanta(n) (altijd beide woorden opschrijven!)
  • Werkwoorden toevoegen aan je zinnen: Quería, quiero, deme. Of para mí... 
  • een halve liter - medio litro (dus niet: un medio litro)
  • Wanneer je vraagt hoeveel iets kost: ¿Cuánto cuesta(n)? 
  • Wanneer je vraagt hoeveel iets in totaal kost: ¿Cuánto es?


¿Preguntas?

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Leerdoelen


  • Woordenschat (o.a. dagen, schoolvakken, dagelijkse activiteiten)
  • Kloktijden
  • Werkwoorden met een klinkerwisseling (deels herhaling)
  • Wederkerende werkwoorden en nieuwe onregelmatige werkwoorden 
  • Ik kan een afspraak maken om iets te doen in mijn vrije tijd
  • Het Spaanse schoolsysteem 
Aan het einde van deze periode kan ik 
praten over mijn dagelijkse handelingen. 

Slide 5 - Slide

Módulo 5 - Un día de mi vida
Nog niet toegevoegd aan je boeken app? 
Volg de stappen die ik naar jullie gemaild heb.

Nogmaals, zorg dat je iedere les de volgende spullen bij je hebt: 
  • Spaans boeken
  • Oortjes
  • Woordenlijst
  • Schrift

Slide 6 - Slide

Página sesenta y cuatro
Libro del alumno


Haz los ejercicios 1 y 2 


Vul vervolgens woordenlijst 1.2 + 1.3 in

Slide 7 - Slide

Las respuestas
Ejercicio 1 
Texto dos

Ejercicio 2
a. falso (tiene el pelo corto)
b. falso (lleva camiseta y pantalón vaquero)
c. verdadero
d. falso (las dos chicas llevan vaqueros)
e. verdadero

Slide 8 - Slide

1.2 Las partes del día
español
holandés
todos los días
elke dag
por la mañana
in de ochtend / s’ ochtends
por la tarde
in de middag / s’ middags
por la noche
in de avond / s’ avonds

Slide 9 - Slide

desayunar
ontbijten
el desayuno
het ontbijt
comer
(middag)eten
la comida
het eten
cenar
dineren
la cena
het diner/avondeten
estudiar
leren / studeren
hacer deporte
sporten
hacer los deberes
huiswerk maken
hacer la cama
bed opmaken
despertarse
wakker worden
levantarse
opstaan
acostarse (ue)
naar bed gaan
vestirse
zich aankleden
ducharse
zich douchen
salir con amigos
uitgaan met vrienden
quedar con
afspreken met
¿Con quién?
met wie?
¿Cuándo?
wanneer?
1.3
Acciones habituales

Slide 10 - Slide

Página sesenta y seis
Libro del alumno


Haz los ejercicios 1 y 2

¿Listo? 
Stel deze vragen nu aan een klasgenoot. Geef in het Spaans antwoord.


Slide 11 - Slide

Las respuestas
Ejercicio 1 
A2 - B5 - C6 - D3 - E1 - F4

Ejercicio 2 
1. Sí, hago los deberes todos los días. / No, no hago los deberes todos los días. 
2. Estudio en casa. 
3. Como en casa. 
4. Ceno con mis padres. 

Je zoekt dus het werkwoord in de zin en deze vervoeg je naar de ik-vorm. Jij geeft namelijk antwoord. 


Slide 12 - Slide

La hora
Al klaar?

Bestudeer alvast hoe de kloktijden werken in het Spaans. Maak aantekeningen.

  Later volgt klassikale uitleg. 

Slide 13 - Slide

¡Información importante!
Je krijgt ruimte om aantekeningen te maken, 
ik zal jullie daar bij helpen. 

Slide 14 - Slide

Son las ... 
Es la ... 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

precies / exact
kwart over
half
kwart voor

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Let op:
Son las dos = Het is twee uur
A las dos = Om twee uur

¿Qué hora es? - Son las tres.         
Hoe laat is het? - Het is drie uur.

A qué hora vamos al cine? - A las diez.
Om hoe laat gaan we naar de bios? - Om tien uur.
Leer dit verschil goed!
VOORBEELD!

Slide 22 - Slide

¡A practicar!
Traduce al neerlandés


1. Son las cuatro y media de la tarde. 
2. Son las dos y cuarto de la noche. 
3. Son las siete y cinco de la mañana. 
4. Son las once menos veinte de la noche. 
5. Es la una y dos de la mañana.
Noteer de antwoorden
als digitale tijd

Slide 23 - Slide

Las respuestas
1. 16:30
2. 02:15
3. 07:05
4. 22:40
5. 13:02

De getallen zijn dus erg belangrijk. Zorg dat je ze nog herhaalt! 

Slide 24 - Slide

Vul woordenlijst 1.4 in
Beantwoord daarna de volgende vragen in je schrift (maak hele zinnen):
1. Wanneer zeg je “es la” en wanneer “son las”?
2. Wat is het verschil tussen “a las dos” en “son las dos?”
3. Vertaal: Hoe laat ontbijt je?
4. Vertaal: Hoe laat eet je ?
5. Vertaal: Hoe laat dineer je?
6. Vertaal: Hoe laat studeer je?
• Stel deze vragen nu aan een klasgenoot.
Geef elkaar antwoord in het Spaans.
Let op: je dient de werkwoorden te vervoegen.

Slide 25 - Slide

español
holandés
¿Qué hora es?
Hoe laat is het?
¿Tiene hora?
Weet u hoe laat het is?
Es la una
Het is 1 uur
Son las dos (en punto)
Het is 2 uur (precies)
Son las tres y cinco
Het is 5 over 3 (3:05)
Son las cuatro y cuarto
Het is kwart over 4 (4:15)
Son las cinco y veinte
Het is 10 voor half 6 (5:20)
Son las seis y media
Het is half 7
Son las siete menos veinticinco
Het is 5 over half 6 (6:35)
Son las ocho menos cuarto
Het is kwart voor 8 (7:45)
Son las nueve menos diez
Het is 10 voor 9 (8:50)
¿A qué hora?
(om) hoe laat?
A la/las…..
Om……
1.4

Slide 26 - Slide

Las respuestas
1. [es] bij 13:00 of 1:00 en [son] bij alle andere gevallen.
2. “A las dos” betekent “om 2 uur” en “son las dos” betekent “het is 2 uur”.
3. ¿A qué hora desayunas?
4. ¿A qué hora comes?
5. ¿A qué hora cenas?
6. ¿A qué hora estudias?

Slide 27 - Slide

Libro del alumno
página sesenta y siete

Haz el ejercicio 3

Slide 28 - Slide

Libro de ejercicios
página veintisiete

Slide 29 - Slide

Libro de ejercicios
página veintiocho

Slide 30 - Slide

Los deberes 

Maken: Alle opdrachten uit deze LessonUp zijn afgerond. 
Leren:  1.2 en 1.3

            Zijn er nog vragen over de klok?





martes el veintiuno de diciembre (6a hora)

Slide 31 - Slide

Las respuestas
• Pagina 67, opdracht 3 (LA)
A: Es la una menos veinte, B: Son las seis (en punto), C: es la una menos cinco, D: Son las siete y cinco.


• Pagina 67, opdracht 4 (LA)
A: hora, cuarto, B: noche, media, C: la, menos.


• Opdracht 4.8 (LE)
A: Son las doce y cuarto, B: Son las cuatro menos veinte, C: Son las cinco y veinticinco, D: Son las nueve menos veinticinco, E: Es la una y media, F: Son las once y cinco.









Slide 32 - Slide

Las respuestas 4.11
Por la mañana:
A: son las ocho y veinte
C: Son las nueve y cuarto
F: Son las once y media
I: Son las seis y media
Por la tarde
B: Son las tres menos cuarto
G: Son las cinco menos diez
H: Son las ocho
K: Son las tres y cinco.
Por la noche
D. Son las once menos veinte
F. Son las once y media
J. Son las diez menos cuarto

Slide 33 - Slide