Les 7 Thema 4 Hele werkwoord en verleden tijd

Het hele werkwoord en verleden tijd meervoud

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsPrimary EducationAge 12

This lesson contains 18 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Het hele werkwoord en verleden tijd meervoud

Wat weet je al over zwakke werkwoorden en hun verleden tijd?

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je zwakke werkwoorden herkennen en de juiste vorm in de verleden tijd meervoud maken.

Wat is een zwak werkwoord?

Een zwak werkwoord verandert in de verleden tijd door een -te of -de toe te voegen, bijvoorbeeld wachten → wachtte.

Het hele werkwoord

Het hele werkwoord is de infinitief: sporten, branden, verleiden, wedden, verkleden, wachten.

Regels van de verleden tijd

Gebruik -de. Bijvoorbeeld: branden → brandden.

Gebruik -te. Bijvoorbeeld: sporten → sportten.

Eindigt op een van ’t kofschip?

Anders?

Meervoud in de verleden tijd

In meervoud komt er -ten of -den achter de stam:


sport +ten =sportten,

brand + den = brandden,

wacht + ten = wachtten.

Voorbeeld: sporten en branden

Wij sportten gisteren.

Wij waren aan het sporten.


Jullie brandden vorige week kaarsen.

Jullie waren kaarsen aan het branden.


Let op het verschil tussen verleden tijd en infinitief.

Opdracht 1

Schrijf de verleden tijd, meervoud, van de volgende werkwoorden: 1. sporten 2. verleiden 3. wachten

Opdracht 2

Welke vorm is juist? Noteer de letter op je wisbordje.

A: Wij wachtten gisteren op de bus.

B: Wij wachten gisteren op de bus.

Opdracht 3

Vul in de verleden tijd, meervoud: De jongens ______ (verkleden) zich als piraat.

Opdracht 4

Maak de zin af in verleden tijd meervoud: Jullie _____ (wedden) op de winnaar.

Opdracht 5: meerkeuze

Welke zin is goed?

A: Wij zijn kaarsen aan het branden.

B: Wij brandden morgen kaarsen.

Opdracht 6

Kies het juiste woord: De kinderen ______ (sporten) het liefst buiten.

Opdracht 7

Maak de zin in verleden tijd meervoud: De meiden _____ (verleiden) iedereen met hun glimlach.

Reflectie

Waar moet je opletten bij de verleden tijd van zwakke werkwoorden? Schrijf één tip op.

Samenvatting

Je weet nu wat zwakke werkwoorden zijn, hoe je de verleden tijd meervoud maakt en kunt dit toepassen.

Test jezelf!

Noem drie zwakke werkwoorden uit deze les met hun verleden tijd, meervoud.