We controleren samen de zinnen:
1. In 2025 ben ik naar Nederland gekomen.
2. Ik zit nu een jaar in Barneveld op de ISK.
3. Daar leer ik vijf dagen per week de Nederlandse taal.
4. Thuis geef ik in de avond Nederlandse les aan mijn ouders.
5. Mijn kleine broertjes en zusjes leren op de basisschool Nederlands.
6. Nederlands is niet moeilijk voor mij.
7. Als ik klaar ben op de ISK, ga ik naar een Nederlandse school.
8. Daar wil ik over een paar jaar mijn diploma halen.