8-10-2026 C LSM 3.3 Wilt u de bon?

C LSM (B) 3.3 Wilt u de bon?

1 / 36
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnPraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

C LSM (B) 3.3 Wilt u de bon?

Slide 1 - Slide

de vorige les

Slide 2 - Slide

Vandaag leer je ...
Boodschappenlijstje verstaan/ thematoets Eten en drinken bespreken
prijzen op verpakkingen aanwijzen op een kassabon het totaal, de datum en de naam van de winkel aanwijzen/ A2 werkt in Taalcompleet
recept lezen/ klantenkaart aanvragen/ eten bestellen/ aanmelden voor een kookcursus

Slide 3 - Slide

Het programma
WUP
Konijneneten, Bart Peeters
zelfstandig werken 
LSM B 3.3 Wilt u de bon? Een recept lezen

Slide 4 - Slide

WUP 
Taalcompleet A1, thema 4.14 Su-per-markt

Slide 5 - Slide

Spreek- en luisteropdracht (Bron: Dag vreemde man, p49)

Slide 6 - Slide

LSM B, 3.3 Wilt u de bon?

Slide 7 - Slide

Intro
Wat weet je al? 

Slide 8 - Slide

Bekijk de video

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Link

Een recept lezen
Libelle 9

Slide 11 - Slide

Een klantenkaart invullen
zie volgende dia

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

inschrijven voor een kookcursus
zie volgende dia

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Eten bestellen
zie volgende dia

Slide 16 - Slide

Eten bestellen
zie volgende dia

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Zelfstandig werken

Slide 19 - Slide

Bingo

Slide 20 - Slide

Bingo
Kijk naar deze 3 titels:
Veel mensen voelen stress

Slide 21 - Slide

Bingo; Nieuws in makkelijke taal
1. We luisteren naar het nieuws (volgende dia). Welke woorden denk je dat je gaat horen? Schrijf in elk vakje van je bingokaart een woord.
2. Luister naar het nieuws. Kruis de woorden aan die je hoort.
3. Wie heeft de meeste kruisjes?

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Wat wil Tom leren?
A
roken
B
kopen
C
lezen
D
koken

Slide 24 - Quiz

Tom wil pannenkoeken maken. Wat koopt hij in de winkel?
A
meel, eieren, melk en boter
B
meel, eieren en melk
C
meel, eieren, melk en olie

Slide 25 - Quiz

Wie geeft een pan aan Tom?
A
de buurvrouw
B
de buurman
C
de buren
D
de vrouw

Slide 26 - Quiz

Op welke dag koopt Tom pizza?
A
woensdag
B
vrijdag
C
dinsdag
D
maandag

Slide 27 - Quiz

Op welke dag maakt Tom soep?
A
dinsdag
B
woensdag
C
donderdag

Slide 28 - Quiz

Tom maakt soep. Hij maakt een fout. Wat gaat fout?
A
Hij snijdt in zijn hand.
B
Hij snijdt in zijn vinger.
C
Hij snijdt in zijn arm.
D
Hij snijdt in zijn teen.

Slide 29 - Quiz

Naar wie belt Tom?
A
zijn zus
B
zijn broer
C
zijn vader
D
zijn moeder

Slide 30 - Quiz

Waarom is de pizza zwart?
A
Hij vindt zwarte pizza's lekker.
B
De pizza staat te lang in de oven.

Slide 31 - Quiz

Waarom eet Tom een appel?
A
Een appel is makkelijk. Een appel kan niet zwart worden.
B
Hij heeft thuis alleen nog maar appels.

Slide 32 - Quiz

Op welke dag eet Tom een appel?
A
woensdag
B
dinsdag
C
vrijdag
D
donderdag

Slide 33 - Quiz

Hoeveel glazen water drinkt Tom?
A
vier
B
twee
C
vijf
D
drie

Slide 34 - Quiz

Waarom drinkt Tom water?
De laatste vraag!
A
Hij houdt van water.
B
De soep is erg heet.
C
de soep is erg zout.

Slide 35 - Quiz

Slide 36 - Slide