Voortplanting (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

ORGANISME · VOORTPLANTING

Quiz

Terugblik: Voortplanting

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met elf vragen over spore, variatie bij prokaryoten, eicelvorming, rekenen, embryo en foetus, placenta, spermacel, oestrogeen en ICSI.

Items in this lesson

ORGANISME · VOORTPLANTING

Quiz

Terugblik: Voortplanting

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Wolfgang Moroder / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 (uitsnede)

Wat is een spore?

A

Een cel die zonder bevruchting een organisme vormt

B

Een cel uit de samensmelting van twee gameten

C

Een diploïde cel met drie sets chromosomen

D

Een gameet die op een eicel moet wachten

Een spore groeit zonder bevruchting uit tot een nieuw organisme. Verwachte fout: de spore zien als een gameet.

Hoe ontstaat variatie bij bacteriën die zich ongeslachtelijk voortplanten?

A

Door meiose en bevruchting

B

Door crossing-over tijdens de deling

C

Er ontstaat geen genetische variatie

D

Door mutatie en uitwisseling van DNA

Bacteriën hebben geen meiose; variatie komt door mutatie en uitwisseling van DNA. Verwachte fout: denken dat variatie alleen bij geslachtelijke voortplanting ontstaat.

Vul in

Bij de eicelvorming ontstaan naast de eicel kleine poollichaampjes; de eicel houdt bijna al het cytoplasma met voedingsstoffen.

poollichaampjes
cytoplasma
follikels
chromosomen

Poollichaampjes en cytoplasma. Verwachte fout: chromosomen invullen bij het tweede gat.

Meiose van 25 cellen: hoeveel spermacellen?

Uit één cel in meiose ontstaan vier spermacellen: 25 keer 4 is 100. Verwachte fout: 25 noemen, zoals bij de eicelvorming.

20 eicellen bij IVF, 15 bevrucht. Hoeveel %?

15 gedeeld door 20 is 0,75, dus 75 procent. Verwachte fout: 5 of 25 noemen.

Wanneer heet het ongeboren kind een foetus?

A

Direct na de bevruchting

B

Vanaf ongeveer acht weken na de bevruchting

C

Vanaf de innesteling in de baarmoeder

D

Pas vlak voor de geboorte

Tot ongeveer acht weken na de bevruchting heet het een embryo, daarna een foetus. Verwachte fout: de innesteling als grens kiezen.

Zet de ontwikkeling op volgorde, van vroeg naar laat

1

Klievingsdelingen

2

Innesteling in de baarmoeder

3

Embryo

4

Zygote

5

Foetus

Zygote, klievingsdelingen, innesteling, embryo, foetus. Verwachte fout: de innesteling voor de klievingsdelingen zetten.

Wat gebeurt er in de placenta?

A

Moeder en foetus wisselen stoffen uit via het bloed

B

Het bloed van moeder en foetus mengt zich

C

De eicel wordt bevrucht

D

Het geel lichaam wordt gevormd

In de placenta wisselen moeder en foetus stoffen uit zonder dat het bloed mengt. Verwachte fout: denken dat het bloed zich vermengt.

Waarom heeft een spermacel veel mitochondriën in het middenstuk?

A

Ze bewaren voedingsstoffen voor het embryo

B

Ze breken de wand van de eicel af

C

Ze leveren energie voor de beweging van de staart

D

Ze maken de kern van de spermacel

Mitochondriën leveren energie voor de beweging van de staart. Verwachte fout: de voedingsstoffen kiezen, dat is de functie van het cytoplasma van de eicel.

Welk hormoon bouwt het baarmoederslijmvlies op?

A

Testosteron

B

Oestrogeen

C

LH

D

HCG

Oestrogeen uit de rijpende follikel laat het slijmvlies groeien. Verwachte fout: LH kiezen omdat dat in dezelfde periode piekt.

Wat gebeurt er bij ICSI?

A

Spermacellen worden in de baarmoeder gebracht

B

Een lichaamscel wordt in een eicel zonder kern gebracht

C

Eicellen en spermacellen mengen in een schaaltje

D

Eén spermacel wordt in een eicel gebracht

Bij ICSI wordt één spermacel met een naald in een eicel gebracht. Verwachte fout: kunstmatige inseminatie, IVF of klonen verwarren met ICSI.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

ORGANISME · VOORTPLANTING

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu beschrijven hoe gameten en zygote ontstaan, hoe embryo en foetus zich ontwikkelen, hoe hormonen de cyclus regelen en welke argumenten er zijn over ingrijpen in de voortplanting.

This item has no instructions