les 20 koppelwerkwoorden

Planning 

- les 20 deel 2 uitleg (kww)
- opdrachten les 20 maken 

1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Planning 

- les 20 deel 2 uitleg (kww)
- opdrachten les 20 maken 

Slide 1 - Slide

In het rijtje hiernaast staan zinnetjes die een tweejarige peuter zou kunnen uitspreken.
Een peuter spreekt nog niet zo goed Nederlands, maar er zit wel een duidelijke betekenis in de zinnetjes.

Bedenk wat de uitingen in het hoofd van de peuter kunnen betekenen.


mama lief
papa slapen
popje stout
meloen vies
oma breien
tante zingen
broertje boos
treintje rijden
auto rood
Tommie lachen
hondje blaffen
snoepje lekker
tafel hard

Slide 2 - Slide

2 groepen 
Je kunt de zinnetjes in twee groepen verdelen. 
Eén groep zinnetjes gaat erover dat iets zo 'is'. 
Bij de tweede groep 'doet' het iets.


Slide 3 - Slide

Koppelwerkwoorden
(het onderwerp IS iets)

zijn 
worden 
blijven
blijken
lijken
schijnen
(heten)
(dunken)
(voorkomen)

(Deze 9 werkwoorden, zijn de enige kww die er zijn. Leer ze uit je hoofd!)
Zelfstandige werkwoorden
(het onderwerp DOET iets)

fietsen
lachen
praten
hangen
kopen
ademen
openen
publiceren
(en zo zijn er nog honderden meer.)

Slide 4 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
- werkwoordelijk deel bevat dus een koppelwerkwoord 
- meerdere werkwoorden in de zin is mogelijk 
- vervangbaar 
- nooit lv 

Slide 5 - Slide

Vragen maken (2tallen)
1. Welke van de onderstaande werkwoorden drukken uit dat het onderwerp iets 'is'? Oftewel, welke zijn koppelwerkwoorden?
worden, lijken, fietsen, praten 

2. Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?
Bewaakte Jan vorige week de schat?

3. Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?
Gaat Piet morgen op pad?
4. Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?
Mijn buurvrouw wordt morgen 43.


Slide 6 - Slide

Hulpwerkwoord 
Welk werkwoord uit onderstaande zin is een hulpwerkwoord? 

Jan heeft vanmiddag een taart gekregen.




Slide 7 - Slide

Tot zover...
Je hebt dus 3 soorten werkwoorden:
1. koppelwerkwoorden
2. zelfstandige werkwoorden 
3. hulpwerkwoorden




Slide 8 - Slide

koppelwerkwoord
- Je kunt altijd maar één kww of één zww in een zin hebben.
- Een kww kan dus nóóit samen met een zww in een zin staan.
- Als er meerdere ww in de zin staan, dan staat het kww of zww vaak achteraan. Alle overige werkwoorden zijn dan hww.


zijn
blijken (te zijn)
heten
worden
lijken (te zijn)
dunken
blijven
schijnen (te zijn)
voorkomen

Slide 9 - Slide

Zelf aan de slag!
Opdracht 1, 2 en 3 maken van les 20 

Slide 10 - Slide