Derde klas naamvallen

Derde klas naamvallen
1 / 12
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Derde klas naamvallen

Slide 1 - Slide

Wiederholung

  • Wat zijn persoonlijk voornaamwoorden?
  • Wat zijn naamvallen?
  • Welke naamvallen ken je?
  • Ken je de vormen van de persoonlijk voornaamwoorden in deze naamvallen?

Slide 2 - Slide

Stappenplan naamvallen

Slide 3 - Slide

De naamvallen 
m
v
onz
mv
1
ein
eine
ein
keine
3
einem
einer
einem
keinen +n
4
einen
eine
ein
keine

Slide 4 - Slide

Naamvallen
m
v
o
mv
1
der
die
das
die
3
dem
der
dem
den
4
den
die
das
die

Slide 5 - Slide

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het 
Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 1e naamval
timer
2:00
<strong>ik</strong>
<strong>jij</strong>
<strong>hij</strong>
<strong>zij e.v.</strong>
<strong>wij</strong>
<strong>jullie</strong>
<strong>het</strong>
<strong>u</strong>
<strong>zij</strong>
ich
ihr
er
es
wir
du
sie e.v
Sie
sie

Slide 6 - Drag question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het
Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval
timer
2:00
<strong>u</strong>
<strong>haar</strong>
<strong>hem</strong>
<strong>het</strong>
<strong>jou</strong>
<strong>ons</strong>
<strong>jullie</strong>
<strong>hen</strong>
<strong>mij</strong>
Sie
uns
ihn
euch
dich
sie
es
sie
mich

Slide 7 - Drag question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 3e naamval
timer
2:00
<strong>mij</strong>
<strong>jou</strong>
<strong>hem</strong>
<strong>jullie</strong>
<strong>haar</strong>
<strong>ons</strong>
<strong>het</strong>
<strong>hen</strong>
<strong>u</strong>
mir
uns
ihm
ihm
ihr
dir
euch
ihnen
Ihnen

Slide 8 - Drag question

voorzetsels 3e naamval
voorzetsels 4e naamval
mit
durch
bei
seit
um
bis
von
nach
zu
aus
für
ohne
gegen

Slide 9 - Drag question

Na welke voorzetsels volgt de vierde naamval?
A
durch, mit, auf, ohne, bis, um
B
gegen, bis, um, ohne, durch, für
C
durch, für, ohne, um, auf, mit
D
gegen, ohne, bis, um, auf, gegenüber

Slide 10 - Quiz

Slide 12 - Slide