Verkeerslichten, aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels
B
Verkeersregels, aanwijzingen, verkeersteken en verkeerslichten
C
Aanwijzingen, verkeerslichten, verkeerstekens en verkeersregels
1 / 65
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 65 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Hoe is de rangorde geregeld in het RVV 1990?
A
Verkeerslichten, aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels
B
Verkeersregels, aanwijzingen, verkeersteken en verkeerslichten
C
Aanwijzingen, verkeerslichten, verkeerstekens en verkeersregels
Slide 1 - Quiz
U zie een afbeelding (achterkant) van een 3 wielig voertuig met een sticker max 45 km er op. Dit voertuig heeft een gele kentekenplaat. Wat voor voertuig is dit volgens het RVV 1990.
A
Brommobiel.
B
Gehandicaptenvoertuig.
C
Driewielig motorvoertuig.
Slide 2 - Quiz
Welke regels moet de bestuurder van een brommobiel volgen?
A
Regels van een motorvoertuig
B
Regels van bromfiets
C
Regels van fiets
Slide 3 - Quiz
Een personenauto wordt gesleept door een andere personenauto. Wat is de personenauto die gesleept wordt volgens het RVV 1990?
A
Personenauto is een motorvoertuig
B
Personenauto is een aanhangwagen
C
Personenauto is een voertuig
Slide 4 - Quiz
Wat is een lijnbus?
A
Voertuig zich bezig houdt met dienstregeling
B
Motorvoertuig dat zich bezig houdt met openbaar vervoer..
C
Autobus die zich bezig houdt met openbaar vervoer
Slide 5 - Quiz
Wat is een kruispunt?
A
Het punt op het kruisingsvlak
B
Het kruisingsvlak
C
2 wegen die elkaar kruisen
Slide 6 - Quiz
Wat is deze wagen volgens het RVV 1990?
A
Voertuig
B
Motorvoertuig
C
Motorrijtuig
Slide 7 - Quiz
Wat betekent bord L 14?
A
Vluchthaven
B
Vluchtstrook
C
Taper aansluiting
Slide 8 - Quiz
Wie is volgens het RVV een weggebruiker?
A
Duopassagier op een bromfiets
B
Een paard dat geleid wordt
C
Een voetganger
Slide 9 - Quiz
Wat maakt deel uit van de rijbaan?
A
Een fietsstrook
B
Een fietspad
C
De vluchtstrook
Slide 10 - Quiz
Wat is een voorrangvoertuig.
A
Een voertuig met optische en geluidsignalen.
B
Een motorvoertuig met optische en geluidsignalen.
C
Een motorvoertuig met herkenbare geluidsignalen.
Slide 11 - Quiz
Een politiebusje heeft het blauwe zwaailicht aan. Is dit voertuig nu een voorrangsvoertuig.
A
Ja, want de bestuurde toont zo aan dat hij een dringende taak heeft
B
Ja, want een politievoertuig is altijd een voorrangvoertuig
C
Nee, dan moet het voertuig ook de voorgeschreven geluidssignalen voeren..
Slide 12 - Quiz
Wat maakt deel uit van de doorgaande rijbaan.
A
Het verharde gedeelte van de weg.
B
De doorgaande rijstroken.
C
De doorgaande rijstroken en die invoegstrook.
Slide 13 - Quiz
Wat is de plaats op de weg van deze bromfietser.
A
Fietsstrook.
B
Fietsstrook + Rijbaan.
C
Rijbaan.
Slide 14 - Quiz
Wat is de 1e en 2e plaats op de weg van een skater?
A
Trottoir / F/BF pad.
B
F/BF pad / trottoir.
C
F/BF pad / rijbaan.
Slide 15 - Quiz
Wat is de plaats op de weg van skater. Je ziet een rijbaan en trottoir.
A
Rijbaan of trottoir.
B
Trottoir.
C
Rijbaan.
Slide 16 - Quiz
Wat is plaats op de weg van een ruiter indien een ruiterpad ontbreekt.
A
Rijbaan.
B
Rijbaan of berm.
C
Berm.
Slide 17 - Quiz
In welk geval mag een fietser de rijbaan gebruiken ondanks dat er een fietspad aanwezig is.
A
Niet toegestaan.
B
Ingeval van een bakfiets. (fiets op 2 voorwielen en 1 achterwiel).
C
Ingeval van een fiets met een aanhangwagen met een breedte van meer dan 80 cm.
Slide 18 - Quiz
De breedte van deze fiets is 0,65 m de plaats op de weg voor deze bestuurder is?
A
Rijbaan.
B
Rijbaan of fietspad.
C
Fietspad.
Slide 19 - Quiz
Een bakfiets is inclusief de lading 85 cm breed. Wat is volgens het RVV 1990 de plaats op de weg van dit voertuig?
A
De rijbaan.
B
Het verplichte fietspad.
C
Het verplichte fietspad of de rijbaan.
Slide 20 - Quiz
Een snorfietser en een fietser rijden naast elkaar op een fietsstrook, mag dat volgens het RVV?
A
Ja.
B
Ja, maar alleen als de snorfietser links van de fietser rijdt.
C
Nee.
Slide 21 - Quiz
Wat is bepaald ten aanzien van een bestuurder van een autobus.
A
De bestuurder moet gebruik maken van een busstrook.
B
De bestuurder mag gebruik maken van een busstrook.
C
De bestuurder mag geen gebruik maken van een busstrook.
Slide 22 - Quiz
Je ziet een busstrook met een onderbroken streep. Je ziet op de weg de tekst BUS staan. Je ziet een touringcar met schoolgaande kinderen die naar een schoolreis gaan. Mag deze touringcar gebruik maken van deze strook.
A
Nee, deze strook is slechts voor lijnbussen.
B
Ja, deze strook is voor auto- en lijnbussen.
C
Ja, deze strook is slechts voor autobussen.
Slide 23 - Quiz
Wie moet de rijbaan verlaten.
A
Skater, Snorfiets, Bromfiets.
B
Bromfiets, Snorfiets, Gehandicapten Voertuig.
C
Bromfiets.
Slide 24 - Quiz
Je ziet een weg. Rechts zie je een aantal woningen die deel uitmaken van een aaneengesloten bebouwing. Links zie je een kanaal. Wie kan je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
VG, F, BF, SF, GEH..VT en alle andere verkeersdeelnemers.
B
Geen verkeer.
C
F, BF.
Slide 25 - Quiz
Wie mag gebruik maken van een OFOS.
A
Bestuurders van de bromfiets, fiets, snorfiets en gehandicaptenvoertuig.
B
Bestuurders van de fiets, snorfiets, en gehandicaptenvoertuig.
C
Fiets, snorfiets.
Slide 26 - Quiz
Je ziet een OFOS. Op de OFOS staan een aantal fietsers. Waar moet je extra rekening mee houden.
A
Met de fietser voor je.
B
Met fietsers die eventueel van rechts kunnen inhalen.
C
Met voetgangers die willen oversteken.
Slide 27 - Quiz
Je ziet een weg die gekruisd wordt door een overweg. De overweg heeft 2 of meer sporen. Je staat in het midden stil tussen 2 sporen. Wat is ten aanzien van deze opstelling bepaald.
A
Is niet verboden.
B
Is niet verboden doch het is niet veilig.
C
Het is niet toegestaan.
Slide 28 - Quiz
Je ziet een rijbaan met parkeergelegenheid aan weerszijden. Je ziet dat aan beide zijden auto's staan geparkeerd. Wat is volgens het RVV 1990 de plaats op de weg.
A
Uiterste rechts van de rijbaan.
B
Zoveel mogelijk rechts van de rijbaan.
C
Iets links van de rijbaan.
Slide 29 - Quiz
Je ziet een vrij smalle rijbaan. Aan beide zijde van de rijbaan staan geparkeerde auto`s. Links en rechts zie je water. Wat is plaats op de weg.
A
Zo veel mogelijk rechts houden.
B
Midden op de rijbaan rijden.
C
Zo veel mogelijk links houden.
Slide 30 - Quiz
Je ziet een rijbaan, en een fietspad. Wie moet(en) de rijbaan verlaten?
A
Bestuurder van een bromfiets en gehandicapten voertuig.
B
Bestuurder van een fiets.
C
Bestuurder van een bromfiets en snorfiets.
Slide 31 - Quiz
Moet de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij dit bord de rijbaan verlaten?
A
Nee, hij moet de rijbaan blijven volgen.
B
Ja, hij moet het fiets/bromfietspad op rijden.
C
De keuze is aan hemzelf.
Slide 32 - Quiz
Wat is de juiste plaats op de weg voor een voetganger binnen een erf.
A
Zoveel mogelijk aan de zijkanten.
B
Trottoir of voetpad.
C
De volle breedte van de weg.
Slide 33 - Quiz
Welke bestuurder mag afwijken volgens 't RVV 1990, vlak voor of op een rotonde voor wat betreft plaats op de weg.
A
Ruiter.
B
Bromfiets.
C
Snorfiets.
Slide 34 - Quiz
Wie mag vlak voor of op een rotonde van rijstrook wisselen. Daarbij ziet je een foto van een turbo rotonde. (rotonde met 2 of meer rijstroken.) Wie mag de binnenste rijstrook gebruiken.
A
Motorvoertuigen en bromfietsers.
B
Bestuurders.
C
Weggebruikers.
Slide 35 - Quiz
Wie moet zich houden aan de voorsorteerstrook op de rijbaan.
A
Alle bestuurders.
B
Bestuurders die de rijbaan volgen.
C
Alle weggebruikers.
Slide 36 - Quiz
Je wilt een rotonde bij de 3e afslag verlaten. Je ziet een turbo rotonde met 2 rijstroken zonder pijlen op het wegdek. Welke rijstrook is het verstandigst om te volgen.
A
Linkerrijstrook.
B
Rechterrijstrook.
C
Verplicht de linkerrijstrook.
Slide 37 - Quiz
Je ziet een overweg. De slagbomen zijn naar beneden. Je ziet bord J 12. Wat kan je in deze situatie verwachten?
A
Enkel spoor.
B
2 of meer sporen.
C
dat er nog een trein kan aankomen.
Slide 38 - Quiz
Wat moet een begeleider van een railvoertuig voeren.
A
Een bord F10.
B
Rode lamp.
C
Rode lamp of een rode vlag of bord F10.
Slide 39 - Quiz
Je ziet een T- aansluiting. Je ziet dus een rijbaan die rechtdoor loopt en je ziet een weg van links. Rechts voor het kruispunt zie je verkeersbord C9. Op de doorgaande rijbaan loopt een marscolonne. Mag deze colonne rechtdoor lopen?
A
Ja, indien zij het trottoir oplopen.
B
Ja, ze mogen de rijbaan blijven volgen.
C
Nee, ze moeten links de zijweg oplopen.
Slide 40 - Quiz
U ziet deze combinatie van borden. Welke van de onderstaande bestuurders mogen gebruik maken van deze weg.
A
Brommobiel.
B
Gehandicaptenvoertuig
C
Personenauto met aanhangwagen.
Slide 41 - Quiz
Er komt een fietser aanrijden die de rijbaan wilt oversteken. Je ziet 2 stopstrepen op het wegdek. 1 streep is voor het fietspad aangebracht terwijl de 2e streep na het fietspad is aangebracht. Waar ga je stoppen.
A
Voor de 1e stopsteep.
B
Voor de 2e stopsteep.
C
Zodanig dat je de fietser niet hindert.
Slide 42 - Quiz
Je ziet een rijbaan. Je ziet een oversteekplaats welke is afgebakend middels kanalisatiestrepen. Aan de rechterzijde zie je het verkeersbord J23. Voor je rijdt een fietser. Mag je voor deze oversteekplaats de fietser inhalen.
A
Ja, als het maar veilig gebeurt.
B
Nee, je mag geen voertuig inhalen.
C
Nee, je mag geen bestuurders inhalen.
Slide 43 - Quiz
Hoe ziet het verkeersbord eruit, waarmee een VOP moet zijn aangegeven.
A
Vierkant blauw bord met witte
3 hoek met een VOP.
B
Driehoek bord met rode rand met een VOP. (J borden)
C
Vierkant blauw bord met een witte driehoek in het bord met een VOP en waarbij een VG oversteekt.
Slide 44 - Quiz
Je rijdt op een weg. Je ziet vlak voor een kruispunt verkeersbord D4. Wat moet je in deze situatie doen?
A
Je mag afslaan er is sprake van een eenrichtingsweg.
B
Je mag niet rechts afslaan.
C
Je mag niet afslaan.
Slide 45 - Quiz
Je hebt een rijbaan met 2 richtingsverkeer en een verkeersdruppel met bord D2 in het midden. Aan de rechterzijde heb je eerst een berm en daarnaast een trottoir. Aan de linkerzijde eerst berm, trottoir en fietspad voor beide richtingen. Er wordt gevraagd wie de vluchtheuvel van rechts moet passeren?
A
Fietser + skeeler.
B
Ruiter + Geh.VT.
C
SF + Brommobiel.
Slide 46 - Quiz
Wat houdt dit bord in?
A
Taperoplossing.
B
Einde spitsstrook.
C
Einde rijstrook.
Slide 47 - Quiz
Welke locatie verlaat je in deze situatie?
A
Je verlaat een weg.
B
Je verlaat een 30 km zone.
C
Je verlaat een weg met snelheidsbeperking.
Slide 48 - Quiz
Je ziet een wegversmalling aangegeven met het verkeersbord F6. De tegenliggers hebben uiteraard het verkeersbord met een rode pijl (bord F5) Hoe dient men te handelen indien tegenliggers doorrijden?
A
Doorrijden.
B
Voor laten gaan.
C
Voorrang verlenen.
Slide 49 - Quiz
Je ziet een rijbaan. Rechts zie je bord C14. Wie mag deze weg inrijden?
A
Gehandicapten voertuig met in werking zijnde motor.
B
Gehandicapten voertuig met uitgeschakelde motor.
C
Snorfiets met uitgeschakelde motor.
Slide 50 - Quiz
Je ziet een rijbaan. Op de rijbaan rijdt een personenauto met een aanhangwagen. De vraag is, Wie kan je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
Voetganger.
B
Fietser.
C
Auto.
Slide 51 - Quiz
Je bevindt je op een autosnelweg. Je ziet dit bord. Wat kun je verwachten?
A
Een 80 km weg.
B
Je blijft op een autosnelweg.
C
Je gaat de bibeko inrijden.
Slide 52 - Quiz
Je ziet een hectometerbordje (A7,) (28,5) Waar bevindt u zich.
A
Op de autosnelweg.
B
Op de autoweg.
C
Op de provincialeweg.
Slide 53 - Quiz
Je rijdt op de autosnelweg. En ziet dit bord. Wat houdt dit in.
A
De autosnelweg extra lang is.
B
Is grensoverschrijdend. (aangesloten op het Europese wegennet)
C
Dat de autosnelweg in een bepaalde provincie blijft.
Slide 54 - Quiz
Je ziet op de autosnelweg een elektronisch bord met een pijl naar links of rechts. Wat betekent dit.
A
Afgesloten rijstrook.
B
Van rijstrook wisselen.
C
Voorwaarschuwing rood kruis.
Slide 55 - Quiz
U rijdt op deze autosnelweg met 4 rijstroken u rijdt op de linkerrijstrook. Het matrixbord boven de rechterrijstrook heeft een rood kruis. u krijgt een lekke band, mag u volgens het RVV 1990 over de rechterrijstrook en naar de vluchtstrook toe rijden?
A
Nee, ondanks dat er sprake is van een noodgeval.
B
Ja, u mag de rechterrijstrook gebruiken.
C
Nee, u mag alleen de linkerrijstrook gebruiken.
Slide 56 - Quiz
Je ziet een rijbaan met een wegversmalling. Aan de rechterkant ziet u dit bord Wie kan je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten.
A
Voetgangers.
B
Bestuurder.
C
Alle weggebruikers.
Slide 57 - Quiz
Je ziet een rijbaan met een weg aan de linkerzijde en een in/uitrit constructie aan de rechterzijde. Voorts zie je een bord L9. Doodlopende weg. Mag je in deze situatie links afslaan.
A
Nee, verplichte rijrichting.
B
Ja, het betreft een doorlopende weg.
C
Nee, het is een eenrichtingsweg.
Slide 58 - Quiz
Wat betekent dit bord?
A
Einde zone gebied.
B
Einde zone weg.
C
Einde zone straat.
Slide 59 - Quiz
Wie kan u op de rijbaan verwachten als tegemoetkomend verkeer.
A
Snorfietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuig.
B
Snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen.
C
Bromfietsen
Slide 60 - Quiz
Je ziet een rijbaan. Aan de rechterzijde zie je bord C14. Voor wie geldt dit bord?
A
Snorfiets met buiten werking zijnde motor.
B
Gehandicaptenvoertuig met in werking zijnde motor.
C
Brommobiel.
Slide 61 - Quiz
U ziet dit bord waar bevindt u zich?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom.
Slide 62 - Quiz
Welke bestuurder mag deze weg wel inrijden?
A
Een bestuurder van een fiets met trapondersteuning.
B
De speed-pedelec
C
Een gehandicaptenvoertuig zonder motor.
Slide 63 - Quiz
Wat betekent dit bord.
A
Je voertuig op deze locatie parkeren en verder carpoolen.
B
Je voertuig op deze locatie parkeren en doorreizen met openbaar vervoer.
C
Je voertuig op deze locatie parkeren en uitrusten.