Kapitel 5 Schule und Schüler Woche 4

Kapitel 5 Schule und Schüler
1 / 44
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Kapitel 5 Schule und Schüler

Slide 1 - Slide

Was machen wir heute?
1. PO uitleg
2. Grammatik 19.3 + 20.3
3. Plauderecke 16.1 
4. Hören 17.2
5. Rätsel 17.4 


Slide 2 - Slide

Grammatik Wiederholung (herhaling) 
DER kan je vervangen door ER (hij)
DIE kan je vervangen door SIE (zij)
DAS kan je vervangen door ES (het)

Slide 3 - Slide

Das Baby
A
er
B
sie
C
es

Slide 4 - Quiz

Tim und Joey
A
er
B
sie
C
es

Slide 5 - Quiz

Sein Bruder
A
er
B
sie
C
es

Slide 6 - Quiz

EEN = EIN of EINE
EEN wordt vertaald naar ein of eine
ein = mannelijk en onzijdig

eine = vrouwelijk
(krijgt dus een -e) 

Slide 7 - Slide

GEEN = KEIN of KEINE
GEEN wordt vertaald naar kein of keine
kein = mannelijk en onzijdig

keine = vrouwelijk
(krijgt dus een -e) 

Slide 8 - Slide

Oma
A
ein
B
eine

Slide 9 - Quiz

(een) Buch
A
Ein
B
Eine

Slide 10 - Quiz

(geen) Rose
A
kein
B
keine

Slide 11 - Quiz

Rangtelwoorden

2 t/m 19
getal + te
vierte, achte

vanaf 20
getal + ste
zwanzigste, einundzwanzigste
Uitzonderingen

erste = eerste
dritte = derde
achte = achtste
siebte = zevende





Slide 12 - Slide

tweede
A
zweite
B
zweitte

Slide 13 - Quiz

derde
A
dritte
B
dreite

Slide 14 - Quiz

eerste
A
erste
B
einste

Slide 15 - Quiz

24
A
vierundzwanzigte
B
vierundzwanzigste

Slide 16 - Quiz

S. 54 Uhrzeiten Aufgabe 11.2
Twee woorden voor uur: Stunde en Uhr.
Uhr = kloktijden: es ist zwei Uhr.
Stunde = andere gevallen.
Hij heeft een uur gewacht: er hat eine Stunde gewartet. 

Slide 17 - Slide

S. 54 Uhrzeiten Aufgabe 11.2
Het is drie uur: es ist drei Uhr
Het is half drie: es ist halb drei
Het is kwart over drie: es ist Viertel nach drei.
Het is kwart voor vier: Es ist Viertel vor vier.

Slide 18 - Slide

Es ist viertel nach sieben
A
het is kwart voor zeven
B
het is kwart over zeven

Slide 19 - Quiz

Es ist Viertel vor neun
A
het is kwart over negen
B
het is kwart voor negen

Slide 20 - Quiz

het is tien uur
A
Es ist acht Stunde
B
Es ist neun Uhr
C
Es ist zehn Stunde
D
Es ist zehn Uhr

Slide 21 - Quiz

Wat zijn modalwerkwoorden? 
Een modaal werkwoord wordt ook wel een modaal hulpwerkwoord genoemd. Het geeft namelijk een toevoeging aan het werkwoord zelf. Zoals zullen (een waarschijnlijkheid), moeten (noodzakelijkheid), kunnen (een kans), willen (een wens of behoefte) en hoeven (geen noodzakelijkheid).

Slide 22 - Slide

Aufgabe 19.3 Grammatik 
S. 67

dürfen (mogen, toestemming hebben)
ich darf (ik mag)
du darfst (jij mag)
er/sie/es darf (hij/zij/het mag)

Wir dürfen (wij mogen)
Ihr dürft (jullie mogen)
Sie/sie dürfen (zij mogen)


Bijv. Darf ich auf die Toilette gehen? 

Slide 23 - Slide

können: kunnen


ich kann
du kannst
er kann


wir können
ihr könnt
sie können

bijv. Er kann das Auto morgen waschen

Slide 24 - Slide

mögen
(houden van, lusten)


ich mag
du magst
er/sie/es mag


stam - en, regel feesttenten toepassen)

wir mögen
ihr mögt
Sie/sie mögen

Bijv. Er mag Eis. 

Slide 25 - Slide

Regel
Het beste kan je deze werkwoorden uit je hoofd leren.
1. Wat is het persoonlijk voornaamwoord in de zin?
ich, du, er/sie/ es

Slide 26 - Slide

Wichtig! 
naam/dingen/ dieren kan je vervangen door er/sie/es
2 namen = hele werkwoord

Frau of Herr kan je vervangen door Sie, dus hele werkwoord gebruiken! 

Slide 27 - Slide

19.3 Grammatik S. 67

Slide 28 - Slide

Er (dürfen) abends nie alleine in die stadt gehen.
A
darf
B
darfst
C
dürften
D
dürft

Slide 29 - Quiz

Mathe (mögen) ich gerne
A
mag
B
magst
C
mögen
D
mögt

Slide 30 - Quiz

(mögen) du Mathe?
A
mag
B
magst
C
mögen
D
mögt

Slide 31 - Quiz

Frau Winkler (können) das gut erklären.
A
kann
B
kannst
C
können
D
könnt

Slide 32 - Quiz

Wir (dürfen) kein Wort sagen
A
darf
B
darfst
C
dürfen
D
dürft

Slide 33 - Quiz

Nathalie (können) gut lernen, sie hat immer gute Note.
A
kann
B
kannst
C
können
D
könnt

Slide 34 - Quiz

(können) ihr morgen auch kommen?
A
kann
B
kannst
C
können
D
könnt

Slide 35 - Quiz

PO Uitleg 
WAT: De opdracht is heel eenvoudig: Het onderwerp van de vlog mag 1 van de thema’s zijn die we dit jaar tot nu toe hebben behandeld. Je kunt dus uit Kapitel 1 t/m 5 het onderwerp kiezen. 

Slide 36 - Slide

VLOG
HOE werkt het: Je verzint een script. Het script kun je gebruiken om je vlog te maken. Je kunt het ook door een tweede persoon laten filmen.

EISEN: Je zegt minimaal 5 zinnen in het Duits in je vlog. Daar word je op beoordeeld. Je kunt alle lesstof, woordenlijsten Plaudereckes van de afgelopen hoofdstukken gebruiken. De vlog duurt tussen de 2 en 3 minuten.

Slide 37 - Slide

VLOG
FEEDBACK: Je kunt je script inleveren om te laten controleren, doe dit op tijd!

INLEVERDATUM: Na de meivakantie. Uiterste inleverdatum is maandag 25 mei. Begin op tijd en lever je vlog wetransfer.com in. Ik verheug me erop de vlogs te bekijken!

Slide 38 - Slide

BEOORDELING
De opdracht wordt beoordeeld op drie verschillende onderdelen:
Creativiteit/originaliteit 4p
Uitspraak klinkt het Duits/ spreek je het vlot uit/ je leest niet voor 3p
Zinsbouw begrijp ik wat je zegt / gebruik je geen NL of Engelse woorden 3p

Slide 39 - Slide

https://quizizz.com/join

JOIN QUIZZIZ
(eigen naam gebruiken) 

Slide 40 - Slide

S. 63 Hören Aufgabe 17.2
Aufträge erteilen (opdrachten verdelen)

1. Eerst de vragen doorlezen.
2. Uit context begrijpen waar het overgaat. 

Slide 41 - Slide

S. 64 Rätsel Aufgabe 17.4
Hoe noem je de voorwerpen in het Duits?
Zoek bij elke tekening het juiste woord. 

Slide 42 - Slide

S. 62 Aufgabe 16.1 Plauderecke B
S. 23 TB
Zinnen vertalen, gebruik S. 22 TB

Hoe heet jouw school? Wie heißt deine Schule?

Schrijf het eronder, boven, links rechts. Maakt niet uit waar. 

Slide 43 - Slide

Hausaufgaben
1. Grammatik 19.3 + 20.3
2. Plauderecke 16.1
3. Hören 17.2
4. Rätsel 17.4 

Slide 44 - Slide