Opdracht: Kijk naar het plaatje. Wat zie je? Praat samen.
Slide 3 - Slide
Programma
timer
5:00
Slide 4 - Slide
Programma
Slide 5 - Slide
Programma
Slide 6 - Slide
Programma
Slide 7 - Slide
Woorden
Oefening: Kijk naar het plaatje. Wat zie je?
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Slide
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Luister en schrijf de woorden
Oefening: Luister naar de docent. Schrijf de woorden in de tekst.
timer
10:00
Slide 18 - Slide
Luister en schrijf de woorden
huis
slaapkamers
beneden - boven
keuken
tuin - balkon
garage - schuur
zolder
bank
tafel
stoelen
Slide 19 - Slide
Er is ... Er zijn ...
Er is een tuin. Er is geen balkon.
Er zijn twee slaapkamers. Er zijn geen kasten.
Slide 20 - Slide
Praat samen over het huis
Oefening: Lees de vragen. Kijk naar het plaatje. Praat samen.
Cursist A: Lees de vraag.
Cursist B: Geef antwoord.
Slide 21 - Slide
Programma
+
Er is ...
Er zijn ...
-
Er is geen ...
Er zijn geen...
Slide 22 - Slide
Waar woon jij? Praat samen
Cursist A: Vertel waar je woont.
Cursist B: Stel drie vragen aan cursist A. Cursist A geeft antwoord.
Cursist B: Vertel waar je woont.
Cursist A: Stel drie vragen aan cursist B. Cursist B geeft antwoord.
timer
10:00
Slide 23 - Slide
Oefenen
Перейдіть до розділу 3. Подивіться на завдання. Виберіть ті завдання, які вам здадуться цікавими. Виконайте ці завдання. Вам не обов’язково виконувати всі завдання.
timer
0:00
Slide 24 - Slide
Einde van de les
De letters staan door elkaar.
Welke woorden zie je? Schrijf de woorden op.
Slide 25 - Slide
Einde van de les
Opdracht: Kijk naar de letters. Welk woord is het? Schrijf de woorden.
Klaar? Maak een zin met het woord.
de bdamaekr
bdeenen
de zloedr
de keekun
de mluebes
de gragae
de sucuhr
het bkaoln
timer
5:00
Slide 26 - Slide
Einde van de les
de bdamaekr = de badkamer
bdeenen = beneden
de zloedr = de zolder
de keekun = de keuken
de mluebes = de meubels
de gragae = de garage
de sucuhr = de schuur
het bkaoln = het balkon
Slide 27 - Slide
Schrijf samen zinnen
Cursist A: Kijk naar de zin. Zeg de zin tegen Cursist B.
Cursist B: Luister naar Cursist B. Schrijf de zin.