Stoplicht

Stoplicht
1 / 18
next
Slide 1: Slide
TechniekPraktijkonderwijsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 380 min

Items in this lesson

Stoplicht

Slide 1 - Slide

Om elektrische energie te kunnen gebruiken heb je een energie bron nodig.
Kies de energiebronnen die je kunt gebruiken om op je fiets je licht te laten branden?
A
Batterij
B
Dynamo
C
Wandcontactdoos
D
Zonnepaneel

Slide 2 - Quiz

Om elektrische energie te gebruiken moet je een stroomkring maken. De energie stroomt van + pool (de uitgang) naar de - pool 
Wanneer gaat de lamp branden in deze stroomkring?
Bij een gesloten stroomkring
Bij een open stroomkring
Brandt altijd

Slide 3 - Drag question

Om elektrische energie te kunnen gebruiken heb je een energie bron nodig.
Noteer de energiebronnen om leeslampje op je kamer te laten branden.
A
Batterij
B
Dynamo
C
Wandcontactdoos
D
Zonnepaneel

Slide 4 - Quiz

Wat gebeurt er in deze stroomkring?
Er gebeurt niets
De stroom gaat van + naar -, en wordt steeds warmer en kan zelfs ontploffen.
De stroom gaat van + naar - tot de batterij op is

Slide 5 - Drag question

Welke schakelaars moet je sluiten om de lamp te laten branden?
SCHAKELAAR A
SCHAKELAAR B
SCHAKELAAR C
SCHAKELAAR D

Slide 6 - Drag question

Wat betekend dit symbool.
Lamp
Schakelaar
Wandcontactdoos
STekker

Slide 7 - Drag question

Wat betekend dit symbool.
Lamp
TL lamp
Wandcontactdoos
Batterij

Slide 8 - Drag question

1x plaatje aluminium 
1x rondhout Ø 10 mm en 25 mm lang
1x koperdraad Ø 1,5 mm en 15mm lang
1x houten latje 30 x 5 mm en 60 mm lang
1x plaatje transparant PMMA 60 x 40 mm en 3/4 mm dik
1x LED rood, 1x LED geel, 1x LED groen
1x batterijhouder
1x weerstand 560 Ohm
zelfklevend koperband 6 mm
zwart papier
Wat heb je nodig

Slide 9 - Drag question

  • Knip werktekening B uit en plak dit met tape op het latje.
  • Boor het gat met een 10 mm boor .
  • Zaag het latje over de stippellijn af. Met een toffelzaag en een werkplankje.

Slide 10 - Slide

Plak eerst het zwarte papier op het plaatje aluminium.
Print de werktekening uit en plak de werktekening A op het zwarte papier.

Laat alles goed drogen!
Aan de slag

Slide 11 - Slide

  • Kijk hoe het rondhout in het gat past en teken net onder de rand een stip af.
  • Boor een gaatje met een 1,5 mm boortje.
  • Zet het rondhout terug in het gat en steek het koperen pennetje in het gaatje.

Slide 12 - Slide

  • Voorkant
  • Boor in het aluminium 3 gaten voor de LED's.
     Let op, ø5,5 mm!
  • Boor het gat van ø10 mm met een metaalboor.
  • Werk de gaten en het plaatje aluminium af met een schuurpapiertje.

Slide 13 - Slide

Buig de plaat over de stippellijnen in een hoek van 85º.
Zet de LED's vast.

Slide 14 - Slide

Elektronica
  • Plak op de aangegeven plaats de zelfklevende koperband.
  • Buig de korte pootjes van de 3 LED's zo dat je ze op de lange koperband kunt solderen. 
  • Soldeer de 3 lange pootjes vast
    op de losse koperbandjes.
  • Soldeer de rode draad van de
    batterijhouder aan het koperen
    pennetje.
  • Soldeer de zwarte draad aan 
  • het kleine koperbandje.
  • Soldeer een weerstand tussen
    koperstrip [C] en [D].

Slide 15 - Slide

Afwerken

  • Steek de schakelaar door het gat.
  • Lijm de schakelaar en de batterijhouder met warme lijm vast.
  • Werk het werkstuk netjes af



Slide 16 - Slide

Laat je docent je werkstuk controleren en beoordelen.

Slide 17 - Slide

Syllabus criteria
1.1.00ABCD: Je herkent de werkwijze en het gebruik van hulpmiddelenen materialen om tot de oplossing van een technisch probleem te komen. zie 1.1.1; Dit geld voor het maken van alle opdrachten
2.1.00ABCD: Je benoemt de correcte benaming van bepaalde traditionele en nieuwe materialen, gereedschappen en bewerkingen. zie 2.1.1; Dit geld voor het maken van alle opdrachten
2.2.00A: Je benoemt de correcte benaming van bepaalde traditionele en nieuwe materialen, gereedschappen en bewerkingen.
2.2.00B: Je herkent materiaal-eigenschappen (mechanische, natuurkundige, chemische, technologische) en licht de manier waarop deze materialen worden toegepast toe.
2.2.00CD: Je analyseert en past materiaaleigenschappen (mechanische, natuurkundige, chemische, technologische) toe in verschillende situaties.
2.2.01: voor Hout
2.2.02: voor metaal (draad / plaat)
2.2.03: voor kunststof
2.2.05: voor overige materialen, Glas, steen en alle niet genoemde materialen
2.3.00B: Je benoemt aan de hand van de functiedriehoek waar een product voor dient en herkent een relatie tussen functie, vorm, materiaal en de manier van bewerking. "zie 2.3.1 De relatie tussen: 2.2.1 Materialen: Aan welke eigenschappen moet het materiaal voldoen? 2.4.1 Bewerkingen: De materialen moeten bewerkt worden daarvoor gebruik je verschillende gereedschappen! 1.1.1 Vormen: Welke vorm is het beste voor jou ontwerp?"
2.3.00CD: Je legt aan de hand van de functiedriehoek uit waar een product voor dient en legt een relatie tussen functie, vorm, materiaal en de manier van bewerking. "zie 2.3.1 De relatie tussen: 2.2.1 Materialen: Aan welke eigenschappen moet het materiaal voldoen? 2.4.1 Bewerkingen: De materialen moeten bewerkt worden daarvoor gebruik je verschillende gereedschappen! 1.1.1 Vormen: Welke vorm is het beste voor jou ontwerp?"
2.4.00A: Je herkent de bewerkingen en verbindingen en de daarbij horende eigenschappen.
2.4.00B: Je past toe de bewerkingen en verbindingen en de daarbij horende eigenschappen.
2.4.00C: Je beschrijft de bewerkingen en verbindingen en de daarbij horende eigenschappen.
2.4.00D: Je legt uit de bewerkingen en verbindingen en de daarbij horende eigenschappen.
2.4.06: voor lijmen
2.4.07: voor solderen
2.4.08: voor vormverbindigen, alle niet genoemde vormverbindingen
2.4.11: voor meten (mm)
2.4.13: voor aftekenen (mm)
2.4.15: voor boren
2.4.16: voor figuurzagen (hand / elektr)
2.4.17: voor zagen
2.4.24: voor metaal buigen/walsen
2.4.26: voor werkbeschrijving lezen
2.4.27: voor werktekening lezen (mm)
3.1.00A: Je benoemt vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden, vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden.
3.1.00B: Je licht vormen van energietransport toe en geeft daarvan voorbeelden. vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden.
3.1.00C: Je beschrijft vormen van energietransport toe en geeft daarvan voorbeelden. vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden.
3.1.00D: Je legt uit vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden. vormen van energietransport en geeft daarvan voorbeelden.
4.1.00B: Je beschrijft input, output en proces van een gegeven systeem.
4.1.00CD: Je analyseert input, output en proces van een gegeven systeem.
4.2.00B: Je herkent het begrip deelsysteem als onderdeel van een systeem.
4.2.00CD: Je beschrijft het begrip deelsysteem toe als onderdeel van een systeem.
4.3.00A: Je benoemt verschillende typen functies van artefacten. "Een technisch artefact is een door mensen ontworpen en/of gemaakt fysisch object met een technische functie en een gebruiksplan. "
4.3.00B: Je benoemt verschillende typen functies.
4.3.00C: Je herkent verschillende typen functies en past deze toe in concrete situaties.
4.4.00CD: Je beschrijft de manier waarop eigenschappen van licht en geluid (b.v. frequentie en amplitude) gebruikt worden bij informatieoverdracht en past deze kennis toe bij het verklaren van de werking van een communicatiesysteem.
4.5.00B: Je herkent bij een technisch systeem feedbackmechanismen (minimaal bij de voorbeelden van thermostaat en toilet).
4.5.00CD: Je beschrijft bij een technisch systeem feedbackmechanismen (minimaal bij de voorbeelden van thermostaat en toilet en een terugkoppeling in een elektrisch circuit).
4.6.00AB: Je bepaalt de afmetingen, Meten en regelen
4.6.00CD: Je bepaalt de afmetingen, Je beschrijft de kenmerken van een geautomatiseerd systeem (meet- en regeltechniek).
4.7.00B: Je benoemt het verschil tussen functie en werking bij een technisch systeem.
4.7.00CD: Je benoemt het verschil tussen functie en werking bij een technisch systeem.
5.1.00AB: Je benoemt belangrijke technologische ontwikkelingen op het gebied van transport, communicatie, productie, bebouwde omgeving en gezondheidszorg.
5.1.00C: Je beschrijft belangrijke technologische ontwikkelingen op het gebied van transport, communicatie, productie, bebouwde omgeving en gezondheidszorg.
5.1.00D: Je beschrijft de betekenis van de begrippen informatie, data, code(ring), signaal, medium (kanaal), analoog en digitaal en benoemt deze in een gegeven communicatiesysteem.
5.2.00AB: Je herkent toepassingsgebieden van techniek in verschillende beroepen, zowel in technische als in niet-technische beroepen.
5.2.00CD: Je beschrijft toepassingsgebieden van techniek in verschillende beroepen, zowel in technische als in niet-technische beroepen.
5.3.00B: Je beschrijft bepaalde normen t.a.v. gezondheid, milieu en arbeidsomstandigheden.
5.3.00CD: Je analyseert bepaalde normen t.a.v. gezondheid, milieu en arbeidsomstandigheden en beoordeelt deze in een situatie.
5.4.00A: Je herkent hoe technische vindingen van invloed zijn op maatschappelijke ontwikkelingen en geeft daar voorbeelden van.
5.4.00B: Je benoemt hoe technische vindingen van invloed zijn op maatschappelijke ontwikkelingen en geeft daar voorbeelden van.
5.4.00CD: Je beschrijft hoe technische vindingen van invloed zijn op maatschappelijke ontwikkelingen en visa versa, en beschrijft daar voorbeelden van.
5.5.00CD: Je beschrijft hoe de technologie zich ontwikkeld heeft in de fasen van ambachtelijke techniek via industriële techniek (massaproductie), informatietechniek naar bio- en nano- en duurzame technologieën en geeft voorbeelden uit de verschillende fasen.

Slide 18 - Slide