Schrijfopdracht: Mijn herfstwandeling

Mijn herfstwandeling

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 1-4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Mijn herfstwandeling

Open de les met het thema van de schrijfopdracht: een korte tekst over de herfst in eigen woorden. Houd de focus op woordgebruik, tegenwoordige tijd en eenvoudige zinnen.

Lesdoel

Ik schrijf een korte tekst van 5 tot 8 zinnen over mijn herfstwandeling, met herfstwoorden en zinnen in de tegenwoordige tijd.

This item has no instructions

Incheck

Hoe gaat het met jullie?


Hoe is het weer vandaag?



Hebben jullie nieuwe woorden in je schrift?

This item has no instructions

Welke herfstwoorden weten we nog?

Gebruik de inzendingen om voorkennis te activeren. Vraag eventueel door naar woorden over weer, kleding, natuur en thuis.

Waarover schrijf je?

Je schrijft een korte tekst over de herfst.


Je mag schrijven over een wandeling in het park of in een bosrijke omgeving, bijvoorbeeld in de natuur rond Zutphen.

Je tekst heeft 5 tot 8 zinnen.

Benadruk dat leerlingen een eenvoudige, persoonlijke tekst schrijven. Het hoeft geen perfect verhaal te zijn; het gaat om duidelijke zinnen over wat je ziet en doet.

Wat moet in je tekst staan?

Schrijf over deze vier dingen:

  • het weer in de herfst

  • wat je buiten draagt

  • welke kleuren je ziet

  • wat je graag doet als het koud is


Zo krijgt je tekst genoeg inhoud.

Koppel deze vier punten aan de opdrachtvragen. Dit geeft leerlingen houvast voor 5 tot 8 zinnen.

Schrijven in de tegenwoordige tijd

Gebruik zinnen over nu.


Voorbeelden:

  • Het regent.

  • Ik draag een jas.

  • De bladeren zijn geel.

  • Ik drink warme thee.

Wijs erop dat leerlingen geen verleden tijd gebruiken zoals 'ik liep' of 'het regende'. De opdracht vraagt om tegenwoordige tijd.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

A

Ik liep in het park.

B

Ik draag een jas.

C

De wind waaide hard.

D

Ik dronk warme thee.

Sluit aan bij de slides over opdrachtopbouw en tegenwoordige tijd. De andere opties staan in de verleden tijd.

Het weer in de herfst

Handige woorden:

  • de wind

  • de regen

  • koud

  • fris

  • de wolk


Voorbeelden: Het is fris. De wind waait.

Laat zien dat leerlingen niet alle woorden hoeven te gebruiken. Eén of twee weerzinnen zijn genoeg als ze duidelijk zijn.

Kleding voor buiten

Woorden die passen bij de herfst:

  • de jas

  • de trui

  • de sjaal

  • de laarzen


Voorbeeld: Ik draag een warme jas en laarzen.

This item has no instructions

Wat zie je in de natuur?

Gebruik woorden over buiten:

  • het blad / de bladeren

  • de boom

  • het bos

  • de eikel


Kleuren in de herfst zijn vaak geel, oranje en bruin.

Herhaal enkelvoud en meervoud: het blad → de bladeren. Dat is nuttig voor zinnen over wat leerlingen zien.

Wat doe je als het koud is?

Je kunt schrijven over wat je fijn vindt.


Voorbeelden:

  • Ik drink warme thee.

  • Ik zit op de bank.

  • Ik blijf thuis.

  • Ik draag een warme trui.

Maak duidelijk dat dit persoonlijke voorkeuren zijn. Leerlingen mogen zelf kiezen wat bij hen past.

Welk woord past het best bij kleding?

A

de eikel

B

de sjaal

C

de wolk

D

het bos

De afleiders komen uit de andere woordvelden op de slides: natuur en weer.

Welke twee dingen zet jij zeker in je tekst?

Let op of leerlingen minimaal twee onderdelen noemen die in de tekst moeten terugkomen, zoals weer, kleding, kleuren/natuur of wat je doet als het koud is.

Zo bouw je je tekst op

Een eenvoudige volgorde helpt:

  • zin 1: het seizoen

  • zin 2: het weer

  • zin 3: waar je bent

  • zin 4: wat je draagt

  • zin 5: wat je ziet

  • zin 6: wat je graag doet als het koud is

Gebruik dit als steunstructuur. Leerlingen mogen hiervan afwijken, zolang hun tekst duidelijk en volledig is.

Wat hoort in zin 4 van de voorbeeldopbouw?

A

wat je ziet

B

het seizoen

C

wat je draagt

D

het weer

Toetst of leerlingen de steunstructuur van de tekst kunnen volgen.

Aan het werk!

Lees je werkblad en maak de schrijfopdracht.


Je schrijft een korte tekst over de herfst. Tussen de 5 tot 8 zinnen.

5

minute

00

second

Werkblad:

Wat heb je vandaag geleerd voor je schrijftekst?

Bespreek of leerlingen iets concreets uit de les kunnen benoemen: tegenwoordige tijd, herfstwoorden, opbouw in 5 tot 8 zinnen, of de vier onderdelen van de opdracht.

Wat hielp jou het meest bij deze les?

Gebruik dit als korte metacognitieve check. Mogelijke antwoorden: voorbeeldtekst, woordenlijst, opbouw in zinnen, of de vier hulpvragen.

Woordenlijst

de wind - bewegende lucht buiten

de regen - water dat uit de lucht valt

koud - niet warm

fris - een beetje koud en aangenaam

de wolk - grijze of witte luchtmassa

de jas - kleding die je buiten draagt

de sjaal - warme stof voor je hals

This item has no instructions

Woordenlijst

de trui - warm kledingstuk met mouwen

de laarzen - stevige schoenen, vaak tegen regen

het blad - een deel van een boom of plant

de bladeren - meer dan één blad

de boom - grote plant met stam en takken

het bos - plek met veel bomen

de eikel - noot van een eik

This item has no instructions

Woordenlijst

warm - met veel warmte

de thee - warme drank

de bank - meubel om op te zitten

de herfst - seizoen na de zomer en voor de winter

wandelen - rustig lopen

dragen - kleding aanhebben

zien - met je ogen waarnemen

This item has no instructions