Het werkgeheugen gebruikt iedereen eigenlijk
constant. Wanneer we boodschappen doen bijvoorbeeld. Niet alleen onthouden we onze boodschappen (als we deze niet op hebben geschreven), maar vaak weten we ook precies waar deze staan omdat we de winkel kennen en onszelf hebben aangeleerd waar we de producten die we zoeken kunnen vinden.
Jonge kinderen gebruiken hun werkgeheugen door één of twee stappen te onthouden en op te volgen en oudere kinderen gebruiken het werkgeheugen door te onthouden wat de verschillende leerkrachten die voor de klas staan van hem of haar verwachten.
De ontwikkeling van het werkgeheugen begint al wanneer leerlingen nog niet op school zitten. Een dreumes van 1,5 kan een speeltje weer vinden omdat hij of zij weet waar hij of zij er voor het laatst mee heeft gespeeld. Op school doen we ook een beroep op het werkgeheugen door bijvoorbeeld het spelletje te spelen waarbij we tien voorwerpen neerleggen, de leerlingen hier even naar laten kijken en daarna een deken over de voorwerpen heen leggen. Kunnen de leerlingen nog vertellen welke voorwerpen er onder het deken liggen?