les 5 Getallen en cijfers in het Nederlands in dagelijkse situaties

Getallen en cijfers in het Nederlands

1 / 58
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Special Education

This lesson contains 58 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Getallen en cijfers in het Nederlands

Open met herkenbare voorbeelden: een prijs, een telefoonnummer en een tijd op een klok. Zo wordt meteen duidelijk dat getallen overal in het dagelijks leven voorkomen.

Lesdoel

Ik kan getallen en cijfers in het Nederlands correct uitspreken en herkennen in alledaagse situaties.



This item has no instructions

Zeg de getallen nog eens hardop:

0-1-2-3-4-5-6-7-8-9-10

Gebruik dit als korte activering. Verwachte reacties: losse getallen, leeftijden, prijzen, tijden of telefooncijfers.

De getallen 0–10

0 nul

1 één

2 twee

3 drie

4 vier

5 vijf

6 zes

7 zeven

8 acht

9 negen

10 tien

Wijs extra op één, twee en vijf: deze woorden geven vaak uitspraakproblemen. Laat het accent op één kort horen.

Cijfers en getallen

  • Cijfers zijn de tekens: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9




Houd het onderscheid eenvoudig: cijfers zijn symbolen, getallen zijn de hoeveelheden of nummers die we ermee weergeven.

De getallen 11–20, Lees de getallen

11 elf

12 twaalf

13 dertien

14 veertien

15 vijftien

16 zestien

17 zeventien

18 achttien

19 negentien

20 twintig

Laat zien dat 11 en 12 apart zijn, maar dat 13–19 vaak eindigen op -tien. Bij 20 verandert het patroon naar tientallen.

Spreek de getallen hardop uit

12


18


16


11


19


20

This item has no instructions

Nieuwe woorden, dingen

de appel- de appels

het glas- de glazen

de banaan- de bananen

het boek- de boeken


This item has no instructions

Getallen in woorden

Lees de getallen in de zinnen:


Ik heb 3 appels.


Ik heb 5 glazen limonade.


Ik eet 2 bananen.


Ik lees 8 boeken.

Benadruk dat NT2-leerders vaak het cijfer wel herkennen, maar het gesproken woord nog niet snel koppelen.

Wat is het?

A

dit zijn drie appels

B

dit zijn drie glazen limonade

C

dit zijn twee bananen

D

dit zijn vier boeken

This item has no instructions

Wat is het?

A

dit is een glas limonade

B

dit zijn drie boeken

C

dit zijn twee koppen koffie

D

dit zijn vijf bananen

This item has no instructions

Wat is het?

A

dit zijn twee koppen koffie

B

dit zijn tien koppen koffie

C

dit zijn vier koppen koffie

D

dit is een kop koffie

This item has no instructions

Wat is het?

A

dit zijn acht bananen

B

dit zijn vier bananen

C

dit zijn twee bananen

D

dit is een banaan

This item has no instructions

Samengestelde getallen

In het Nederlands zeg je vaak eerst het kleine deel en dan het tiental:


  • 21 = eenentwintig

  • 34 = vierendertig

  • 58 = achtenvijftig


Je hoort vaak en in het midden.

Dit is een belangrijk verschil met veel andere talen. Noem het rustig expliciet: 21 is niet twintig-een, maar een-en-twintig.

Hoe bouw je 21–99 op?

  • eerst het getal van 1–9

  • dan en

  • daarna het tiental


Voorbeelden:

  • 26 = zesentwintig

  • 47 = zevenenveertig

Zevenenveertig heeft twee e-klanken rond en. Laat leerlingen goed horen waar de woorddelen samenkomen.

Spreek de getallen uit

25


38


47


92


64


39

This item has no instructions

Honderd en duizend

  • 100 = honderd

  • 200 = tweehonderd

  • 300 = driehonderd

  • 1000 = duizend

  • 2000 = tweeduizend

  • Grote getallen bestaan uit bekende delen

Leg uit dat leerlingen niet elk groot getal als nieuw woord hoeven leren; ze combineren delen die ze al kennen.

Voorbeelden met 100 en 1000

  • 105 = honderdvijf

  • 120 = honderdtwintig

  • 245 = tweehonderdvijfenveertig

  • 1005 = duizendvijf

  • 2024 = tweeduizendvierentwintig

Blijf bij de opbouw: honderd + vijf, tweehonderd + vijfenveertig. Zo zien leerlingen structuur in plaats van losse moeilijke woorden.

Hoe zeg je 34 in het Nederlands?

A

dertigvier

B

vierendertig

C

drieënveertig

D

veertigdrie

Test de regel: eerst het kleine deel, dan en, daarna het tiental. Let op: een fout gespelde afleider is bewust verwarrend voor leerlingen die te snel kijken.

Hoe zeg je 81 in het Nederlands?

A

tachtig één

B

eenenachtig

C

achteneen

D

eenentachtig

This item has no instructions

Wat is juist?

drieëndertig

A

35

B

23

C

34

D

33

This item has no instructions

Wat is juist?

65

A

vijfenzestig

B

vierenzestig

C

zesenvijftig

D

achtenzestig

This item has no instructions

Wat is juist?

negenentwintig

A

83

B

77

C

29

D

92

This item has no instructions

Uitspraak bij reeksen

  • Bij losse cijfers zeg je vaak elk cijfer apart

  • Dat gebeurt bij telefoonnummers en codes

  • Voorbeeld: 0612345678

  • Dan zeg je niet één groot getal

Geef mondeling een voorbeeld van een telefoonnummer als reeks losse cijfers. Dat verschil met gewone getallen is voor A2 erg belangrijk.

Grote getallen goed horen

Luister naar de delen van het woord:


  • driehonderd = 300

  • zeshonderd = 600

  • duizend = 1000

  • tweeduizend = 2000


Zo herken je sneller grote getallen.

Benadruk auditieve herkenning: hoor je honderd of duizend? Dat helpt bij formulieren, adressen en prijzen.

Nieuwe woorden, gegevens

de leeftijd- de leeftijden

het huisnummer- de huisnummers

de verjaardag- de verjaardagen

de geboortedatum- de geboortedatums

de postcode- de postcodes



This item has no instructions

Leeftijd en huisnummer

  • Leeftijd: Ik ben veertien jaar

  • Huisnummer: Ik woon op nummer acht

  • In zulke zinnen moet je het getal goed herkennen én zeggen

Koppel aan kennismaken: naam, leeftijd, adres. Dat zijn veelvoorkomende A2-situaties.

Zeg de zinnen hardop en vul de juiste woorden in

Ik ben ....jaar

Ik woon op nummer......

Mijn geboortedatum is........

Mijn verjaardag is op..........

Mijn postcode is........


This item has no instructions

Nieuwe woorden

het telefoonnummer- de telefoonnummers

This item has no instructions

Telefoonnummers

  • Een telefoonnummer is meestal een reeks cijfers

  • Je zegt de cijfers één voor één

  • Voorbeeld: nul zes, één twee, drie vier...

Wijs op nul aan het begin van Nederlandse mobiele nummers. Dat is vaak nieuw voor leerders.

Lees het telefoonnummer

Mijn telefoonnummer is:


06- 2817364501


Mijn telefoonnummer is:


06- 1298347650

This item has no instructions

Nieuwe woorden, geld

de winkel- de winkels

de prijs- de prijzen

de euro- de euro´s

This item has no instructions

Prijzen

  • In winkels hoor je veel getallen

  • €5 = vijf euro

  • €12 = twaalf euro

  • €21 = eenentwintig euro

Eventueel mondeling aanvullen met euro en cent, maar houd de slide eenvoudig en passend bij het leerdoel.

Lees de zinnen met de prijzen

De broek kost 20 euro.


De jas kost 60 euro.


De schoenen kosten 35 euro.


De sokken kosten 12 euro.


De trui kost 45 euro.

This item has no instructions

Nieuwe woorden, kleren- kleding


de kleren

de kleding

de broek- de broeken

de trui- de truien

de jas- de jassen

de schoen- de schoenen

de sok- de sokken

This item has no instructions

Wat is het?

A

de schoenen

B

de jassen

C

de broeken

D

de sokken

This item has no instructions

Wat is het?

A

de truien

B

de broek

C

de broeken

D

de jassen

This item has no instructions

Wat is het?

A

de jas

B

de truien

C

de koffie

D

de trui

This item has no instructions

Sleepvraag



de broek

de trui

de jas

de sokken

This item has no instructions

Nieuwe woorden, datums

de datum- de datums

de dag- de dagen

de week- de weken

de maand- de maanden

het jaar- de jaren


This item has no instructions

Data

  • Datums bevatten dag, maand en vaak een jaar

  • 12 mei

  • 3 november 2024

  • Je hoort en zegt dus kleine én grote getallen

Maak duidelijk dat jaren vaak grote getallen zijn, maar opgebouwd blijven uit bekende delen.

Nieuwe woorden, dagen van de week

maandag


dinsdag


woensdag


donderdag


vrijdag


zaterdag en zondag zijn het weekend

This item has no instructions

Welke dagen zijn het weekend?

A

maandag en dinsdag

B

zaterdag en zondag

C

vrijdag en zaterdag

D

zondag en maandag

This item has no instructions

Nieuwe woorden

na (erna) after


voor (ervoor) before



This item has no instructions

Welke dag komt na maandag?

A

dinsdag

B

vrijdag

C

woensdag

D

zaterdag

This item has no instructions

Welke dag komt voor woensdag?

A

donderdag

B

dinsdag

C

zaterdag

D

vrijdag

This item has no instructions

Nieuwe woorden, de maanden van het jaar

januari (01)

februari (02)

maart (03)

april (04)

mei (05)

juni (06)

juli (07)

augustus (08)

september (09)

oktober (10)

november (11)

december (12)

This item has no instructions

Wat is de datum?

03-08

A

vier augustus

B

acht augustus

C

drie augustus

D

acht september

This item has no instructions

Wanneer is Boris jarig?

A

eenentwintig augustus

B

eenendertig augustus

C

twaalf augustus

D

vijf oktober

This item has no instructions

Wanneer is het kerstmis? (Christmass)

A

vijfentwintig november

B

vijfentwintig juni

C

vijfentwintig december

D

vijfentwintig mei

This item has no instructions

Nieuwe woorden, klokkijken

het uur- de uren

het halve uur- de halve uren

het kwartier- de kwartieren

de tijd- de tijden


This item has no instructions

Tijd

  • Op een klok zie je ook getallen

  • 8:00 = acht uur

  • 10:15 en 12:30 zijn alledaagse tijden

  • Het is belangrijk dat je de getallen snel herkent

Blijf hier bij cijferherkenning en eenvoudige uitspraak. Ga niet diep in op kwart over/half als dat niet in deze les past.

Kijk naar de video over uren, halve uren en kwartieren

This item has no instructions

Tijd

Het is 1 uur

Het is 5 uur


Het is half 3

Het is half 8


Het is kwart over 4

Het is kwart over 9


Het is kwart voor 12

Het is kwart voor 7

This item has no instructions

Hoe laat is het?

A

Het is zeven uur

B

Het is negen uur

C

Het is elf uur

D

Het is zes uur

This item has no instructions

Hoe laat is het?

6: 30

A

half zeven

B

zeven uur

C

half tien

D

half acht

This item has no instructions

Hoe laat is het?

10:30

A

tien uur

B

half tien

C

half twaalf

D

half elf

This item has no instructions

Samenvatting

  • Cijfers zijn tekens, getallen zijn wat je leest of zegt

  • 0–20 vormen de basis

  • Bij 21–99 hoor je vaak en

  • Grote getallen bouw je op met honderd en duizend

  • In het dagelijks leven hoor je getallen bij tijd, prijs, telefoon, datum en adres

Gebruik deze slide om het centrale idee af te ronden: getallen herkennen en correct uitspreken in echte situaties.