Vraagwoord Voorzetsel + wie/welk/hoeveel
Wie is er vandaag jarig? Voor wie heb je dat cadeau gekocht?
Welke artiesten spelen op dit festival? Met welke artiest heb je opgetreden?
Hoeveel landen ken jij uit je hoofd? In hoeveel landen heeft hij gewoond?
In hoeveel landen heeft hij gewoond? In vier landen.
Met wie overlegt zij? Met haar collega's.
Bij welke afdeling werkt hij? Bij de afdeling transport.