Werkwoordspelling - Tegenwoordige tijd

Spelling - Tegenwoordige tijd
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Spelling - Tegenwoordige tijd

Slide 1 - Slide

timer
5:00
Werkwoordspelling

Slide 2 - Mind map

Instructie werkwoordspelling
Instructie werkwoordspelling

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Vul de juiste werkwoordsvorm van 'ontbreken' in

In dit rapport ......... de conclusie.

Slide 6 - Open question

(verhuizen)
Eric ........ de spullen naar een nieuwe werkplek.

Slide 7 - Open question

(verwijzen)
........ je huisarts jou door naar de specialist?

Slide 8 - Open question

(vinden)
Ferdi ...... jouw redenering erg duidelijk

Slide 9 - Open question

(raden)
....... eens hoeveel aanmeldingen we hebben voor de bijeenkomst?

Slide 10 - Open question

(besteden)
Edward .......... veel aandacht aan de opmaak van teksten.

Slide 11 - Open question

(aanvaarden, houden)
Ik ......... dit compromis, mits jij je vanaf nu aan de afspraken ......... .

Slide 12 - Open question

Hoe kun je de persoonsvorm in een zin vinden?
A
Je verandert de zin naar een andere tijd.
B
Je kijkt naar de andere werkwoorden in de zin.
C
Je maakt een vraagzin.
D
Wanneer de zin verandert van aantal.

Slide 13 - Quiz


Piet en Jan ....... door het bos.
A
Loop
B
Loopt
C
Lopen
D
Liepen

Slide 14 - Quiz

...... jij ook wel eens moe van het eeuwige gezeur van die docenten?
A
Word
B
Wordt
C
Worden
D
Werd

Slide 15 - Quiz

Hij zegt dat hij van haar ....... .
A
houd
B
houdt
C
houden
D
hield

Slide 16 - Quiz

Grote smurf ........ maar weer eens naar zijn huis.
A
Smurf
B
Smurft
C
Smurfen
D
Smurfte

Slide 17 - Quiz

Klik op een 'hotspot' bij het onderdeel waar je uitleg over wilt of waar je aan wilt werken.
Hoe vind ik de persoonsvorm?
Je voert de tijdproef of getalproef uit: je zet de zin in een andere tijd of  je verandert het aantal (getal) in de zin.

Is het nog niet helemaal duidelijk? Kijk dan dit filmpje. Gebruik wel oordopjes!
(Let op: in het filmpje worden 3 manieren genoemd, namelijk ook de vraagzin. Deze gebruiken wij bij voorkeur niet.)
Wat zijn werkwoordsoorten?
We kennen 3 werkwoordsoorten: persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief.
Hoe vind je het voltooid deelwoord?
Een voltooid deelwoord begint met ge-, be-, ver-, her- of -ont.
Het eindigt meestal op een D of een T, en soms op -en.

Een voltooid deelwoord kan nooit het enige werkwoord in de zin zijn. Er zit altijd óók een vorm van worden, hebben of zijn in de zin.
Werkwoordsoorten
Wat is de infinitief?
Het hele werkwoord. Bijvoorbeeld: fietsen, werken, aansporen, indienen, verzoeken, antwoorden, ...

Kun je er zelf nog een paar bedenken?

Let op: deze werkwoorden kunnen ook als persoonsvorm tegenwoordige tijd voorkomen in het meervoud.
Spelling persoonsvorm
De regels
Je hebt vastgesteld dat het werkwoord waar het om gaat, een persoonsvorm is. Vervolgens kijk je naar de tijd: is het tegenwoordige tijd of verleden tijd?

Tegenwoordige tijd: ik-vorm / ik-vorm + t / hele werkwoord
Verleden tijd: verlengproef/'t kofschip.

Kijk op het blad Werkwijzer Werkwoordspelling (ook te vinden in Showbie).
Persoonsvorm tegenwoordige tijd
https://www.berktekst.nl/voorbeeld-pagina/persoonsvorm/persoonsvorm-tt-01/ (klik bovenaan op werkwoordspelling > persoonsvorm, daar staan nog meer oefeningen (TT 01 t/m 07).
Persoonsvorm verleden tijd
https://www.berktekst.nl/voorbeeld-pagina/persoonsvorm/persoonsvorm-vt-01/ (klik bovenaan op werkwoordspelling > persoonsvorm, daar staan nog meer oefeningen (VT 01 t/m 06).

Slide 18 - Slide