Les 6 - Grammatik

1 / 20
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Startklaar
       
      Telefoon in het zakkie 
      Laptop dicht op tafel 
       Map en pen op tafel
       
      
timer
3:00

Slide 2 - Slide

Programm
  • Übersicht Unit 3

  • Wiederholung Sprachmittel
  • Grammatik

Slide 3 - Slide

Welkom bij LA German
Unit #3: Das bin ich: Wohnen, Festen, Traditionen
Learner Profile: Open minded
ATL: Communication | Use intercultural understanding to interpret communication
Related concepts: Conventions
Key concept: Culture
Statement of Inquiry: Cultural perspectives shape how we live together and care for our world.
Global context: Personal and cultural expression

Slide 4 - Slide

Übersicht Unit 3
Woche 1
Woche 2
Woche 3
Woche 4
Woche 5
Introduktion und Wortschatz
Wortschatz und sprechen
Grammatik
Sehen und Wortschatz
Woche 6
Woche 7
Woche 8
Woche 9
Woche 10
Wortschatz und schreiben
Grammatik
Sprechen+start PO
Wiederholung
Wiederholung

Slide 5 - Slide

Übersicht Unit 3
Summative assesments: 
  1. Written exam - Listening, reading and writing
  2. Practical assignment - Speaking

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Wofür gibst du dein Taschengeld aus?

Slide 8 - Open question

Wo kaufst du deine Kleidung?

Slide 9 - Open question

Lernziele
  • Ich kann Personalpronomen im Nominativ, Akkusativ und Dativ korrekt verwenden.
  • Ich kann Präpositionen, die immer den Akkusativ oder Dativ verlangen, korrekt anwenden.

Slide 10 - Slide

Naamvallen beschrijven de functie van een zinsdeel in een zin.

1e naamval = onderwerp van een zin
3e naamval = meewerkend voorwerp
4e naamval = lijdend voorwerp

Met de naamvallen veranderen de lidwoorden, bezittelijke voornaamwoorden en de persoonlijke voornaamwoorden!


Wanneer je bij Duits moet kiezen tussen:
ich, mir en mich

Slide 11 - Slide

Dit is de Nominativ en wordt gebruikt wanneer het woord 
het onderwerp is van de zin. Bijvoorbeeld:

Ich bin krank.
Ik ben ziek.
(Wie of wat is ziek? Ik.)

Slide 12 - Slide

Dit is de Dativ en wordt gebruikt wanneer het woord een meewerkend voorwerp is in de zin. Voor een meewerkend voorwerp komt in het Nederlands altijd ‘aan’ of ‘voor’, of dat kun je ervoor denken. Bijvoorbeeld:

Ich gebe dir ein Buch.
Ik geef jou een boek. / Ik geef aan jou een boek.
(Aan wie geef ik een boek? Aan jou.)

Slide 13 - Slide

Dit is de Akkusativ en wordt gebruikt wanneer het woord een lijdend voorwerp is. Deze wordt gevonden in een zin door te vragen: ‘wie/wat + persoonsvorm + onderwerp’. Bijvoorbeeld:

Die Frau mag dich.
De vrouw vindt jou leuk. 
(Wie of wat vindt de vrouw leuk? Jou.)


Slide 14 - Slide

Wat is het verschil tussen deze zinnen:
Peter hat ihn getötet.
Peter hat er getötet.

Slide 15 - Open question

Voorzetsels met de derde naamval
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu

Slide 16 - Slide

Voorzetsels met de vierde naamval
durch, für, ohne, um, gegen, bis

Slide 17 - Slide



1. Aufgaben im Buch ab Seite 42: 
20, 21, 22, 23, 24, 25 und 26

2. Aufgaben im Buch ab Seite 114:
20, 21, 22, 24, 25 und 26


Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Abschluss
  • Ich kann Personalpronomen im Nominativ, Akkusativ und Dativ korrekt verwenden.
  • Ich kann Präpositionen, die immer den Akkusativ oder Dativ verlangen, korrekt anwenden.
Lernziele:
Hausaufgaben:
Nächste Sitzung:
Sprechen
Klascode: pfhkn

Lerne die Personalpronomen im 3. und 4. Fall (und die Präpositionen)!

Slide 20 - Slide