This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 70 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Startklaar
Telefoon in het zakkie
Laptop dicht op tafel Map en pen op tafel
timer
3:00
Slide 2 - Slide
Programm
Übersicht Unit 3
Wiederholung Sprachmittel
Grammatik
Slide 3 - Slide
Welkom bij LA German
Unit #3: Das bin ich: Wohnen, Festen, Traditionen
Learner Profile: Open minded
ATL: Communication | Use intercultural understanding to interpret communication
Related concepts: Conventions
Key concept: Culture
Statement of Inquiry: Cultural perspectives shape how we live together and care for our world.
Global context: Personal and cultural expression
Slide 4 - Slide
Übersicht Unit 3
Woche 1
Woche 2
Woche 3
Woche 4
Woche 5
Introduktion und Wortschatz
-
Wortschatz und sprechen
Grammatik
Sehen und Wortschatz
Woche 6
Woche 7
Woche 8
Woche 9
Woche 10
Wortschatz und schreiben
Grammatik
Sprechen+start PO
Wiederholung
Wiederholung
Slide 5 - Slide
Übersicht Unit 3
Summative assesments:
Written exam - Listening, reading and writing
Practical assignment - Speaking
Slide 6 - Slide
Slide 7 - Slide
Wofür gibst du dein Taschengeld aus?
Slide 8 - Open question
Wo kaufst du deine Kleidung?
Slide 9 - Open question
Lernziele
Ich kann Personalpronomen im Nominativ, Akkusativ und Dativ korrekt verwenden.
Ich kann Präpositionen, die immer den Akkusativ oder Dativ verlangen, korrekt anwenden.
Slide 10 - Slide
Naamvallen beschrijven de functie van een zinsdeel in een zin.
1e naamval = onderwerp van een zin
3e naamval = meewerkend voorwerp
4e naamval = lijdend voorwerp
Met de naamvallen veranderen de lidwoorden, bezittelijke voornaamwoorden en de persoonlijke voornaamwoorden!
Wanneer je bij Duits moet kiezen tussen:
ich, mir en mich
Slide 11 - Slide
Dit is de Nominativ en wordt gebruikt wanneer het woord
het onderwerp is van de zin. Bijvoorbeeld:
Ich bin krank.
Ik ben ziek.
(Wie of wat is ziek? Ik.)
Slide 12 - Slide
Dit is de Dativ en wordt gebruikt wanneer het woord een meewerkend voorwerp is in de zin. Voor een meewerkend voorwerp komt in het Nederlands altijd ‘aan’ of ‘voor’, of dat kun je ervoor denken. Bijvoorbeeld:
Ich gebe dir ein Buch.
Ik geef jou een boek. / Ik geef aan jou een boek.
(Aan wie geef ik een boek? Aan jou.)
Slide 13 - Slide
Dit is de Akkusativ en wordt gebruikt wanneer het woord een lijdend voorwerp is. Deze wordt gevonden in een zin door te vragen: ‘wie/wat + persoonsvorm + onderwerp’. Bijvoorbeeld:
Die Frau mag dich.
De vrouw vindt jou leuk.
(Wie of wat vindt de vrouw leuk? Jou.)
Slide 14 - Slide
Wat is het verschil tussen deze zinnen: Peter hat ihn getötet. Peter hat er getötet.
Slide 15 - Open question
Voorzetsels met de derde naamval
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu
Slide 16 - Slide
Voorzetsels met de vierde naamval
durch, für, ohne, um, gegen, bis
Slide 17 - Slide
1. Aufgaben im Buch ab Seite 42:
20, 21, 22, 23, 24, 25 und 26
2. Aufgaben im Buch ab Seite 114:
20, 21, 22, 24, 25 und 26
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Abschluss
Ich kann Personalpronomen im Nominativ, Akkusativ und Dativ korrekt verwenden.
Ich kann Präpositionen, die immer den Akkusativ oder Dativ verlangen, korrekt anwenden.
Lernziele:
Hausaufgaben:
Nächste Sitzung:
Sprechen
Klascode: pfhkn
Lerne die Personalpronomen im 3. und 4. Fall (und die Präpositionen)!