ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Examentraining
Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Examentraining
Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Gustamons / Wikimedia Commons, CC0
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan in een situatie een kruisingsschema of stamboom gebruiken om een kans te bepalen en mijn antwoord te onderbouwen.
This item has no instructions
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is dominant, wat is recessief, en ligt het gen op een autosoom of op het X-chromosoom?
2. Schrijf: de genotypen van de ouders en hun geslachtscellen op.
3. Combineer: zet de geslachtscellen in een kruisingsschema en tel de genotypen.
4. Reken: zet genotypen om naar fenotypen en geef de kans als breuk of percentage.
This item has no instructions
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Vraagtype 1: kans berekenen
Zoek eerst welk allel dominant is en welke genotypen de ouders hebben.
Maak een kruisingsschema en tel de genotypen of de fenotypen waar naar wordt gevraagd.
Voorbeeld: Rr x Rr geeft RR, Rr, Rr en rr. De kans op rr is 1 op 4.
Geef de kans als breuk of percentage, en zet er het genotype of fenotype bij.
This item has no instructions
Een hoornloze stier (Hh) paart met een gehoornde koe (hh). Hoornloos is dominant. Kans op een gehoornd kalf?
0%
25%
50%
75%
Gameten: stier H of h, koe alleen h. Nakomelingen: Hh (hoornloos) en hh (gehoornd), elk 50%. Verwachte fout: 25% kiezen door een schema met vier verschillende vakjes te verwachten.
Tomatenplanten Rr x Rr worden gekruist (rood is dominant). Bereken de kans op een rode plant.
Schema: RR, Rr, Rr, rr. Drie van de vier zijn rood: kans 3/4 = 75%. Verwachte fout: 25% noemen (de kans op rr) of alleen RR tellen.
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Vraagtype 2: stamboom en X-chromosomaal
Ouders zonder de eigenschap met een kind mét: recessief, ouders dragen het allel.
Ouders mét de eigenschap met een kind zónder: dominant, ouders heterozygoot.
Bij X-chromosomaal tel je zonen en dochters apart: let op 'een zoon' of 'een kind'.
Voorbeeld: X^H X^h x X^H Y geeft dochters X^H X^H en X^H X^h, zonen X^H Y en X^h Y.
This item has no instructions
Gezonde ouders krijgen een dochter met taaislijmziekte (autosomaal recessief). Genotype van de ouders?
Beide ouders zijn homozygoot dominant (AA)
Alleen de vader is heterozygoot (Aa)
Beide ouders zijn heterozygoot (Aa)
Beide ouders zijn homozygoot recessief (aa)
De dochter is aa en kreeg van elke ouder één a. De ouders zijn gezond, dus Aa. Verwachte fout: AA kiezen omdat de ouders gezond zijn.
Moeder X^B X^b, vader X^B Y (kleurenblind is recessief). Kans op een kleurenblinde zoon?
Zonen krijgen de Y van de vader en een X van de moeder: X^B Y of X^b Y, elk 50%. De kans dat een zoon kleurenblind is, is 50%. Verwachte fout: 25% noemen. Dat is de kans dat een willekeurig kind een kleurenblinde jongen is.
Himalayakonijn: donker op oren, neus, poten en staart
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Vraagtype 3: verklaren met milieu
Zelfde genotype maar ander fenotype? Dan speelt een milieufactor mee.
Noem de milieufactor en leg uit hoe die het fenotype verandert.
Een Himalayakonijn heeft donkere oren, neus, poten en staart.
De vacht wordt alleen donker op de koelere delen van het lichaam.
Image credit: SableSteel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Een Himalayakonijn heeft donkere oren en poten. Welke verklaring past?
Genotype overal gelijk, temperatuur beïnvloedt de kleur
Alleen de donkere delen hebben het kleurgen
De cellen van de oren hebben een ander genotype
De kleur is niet erfelijk maar alleen milieu
Alle lichaamscellen hebben hetzelfde genotype. De kleur van de vacht wordt mede bepaald door de temperatuur van het lichaamsdeel. Verwachte fout: denken dat de donkere cellen een ander genotype hebben.
Dezelfde hortensia kleurt op zure grond blauw en op kalkrijke grond roze. Verklaar dit.
Het genotype is gelijk. De zuurgraad van de grond is een milieufactor die het fenotype (bloemkleur) beïnvloedt. Verwachte fout: spreken van een ander genotype of een mutatie.
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Vraagtype 4: argumenten onderscheiden
Een ethisch argument gaat over goed en fout, rechten, vrijheid en wie beslist.
Een biologisch argument gaat over gevolgen voor gezondheid, variatie of het ecosysteem.
Bij 'beargumenteer' geef je een argument én de redenering erachter.
Noem niet alleen het soort argument, maar leg uit waarom het past.
This item has no instructions
Welk argument tegen ingrijpen in een embryo is ethisch?
Het gewenste allel gaat niet naar alle nakomelingen
Er kan genetische variatie verloren gaan
Het ingebrachte allel werkt op een andere plek
Het is niet aan mensen om eigenschappen te kiezen
Het goede antwoord gaat over wat mag en wie beslist: ethisch. De andere drie gaan over biologische gevolgen. Verwachte fout: een biologisch gevolg als ethisch argument zien.
Noem een ethisch en een biologisch argument bij ingrijpen in een gewas.
Ethisch: bijvoorbeeld wie bepaalt of mag ingrijpen, of de natuur zo aangepast mag worden. Biologisch: bijvoorbeeld gevolgen voor de variatie in de populatie of voor het ecosysteem. Verwachte fout: twee argumenten van dezelfde soort noemen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Kans berekenen met een kruisingsschema
Een stamboom of X-chromosomaal lezen
Verklaren met een milieufactor
Ethische en biologische argumenten
Bespreek het vraagtype dat de meeste stemmen krijgt kort na met een voorbeeld.
ERFELIJKE EIGENSCHAP · KRUISINGEN
Tips voor op het examen
Controleer of de kansen in je kruisingsschema optellen tot 100%.
Vraagt de vraag naar 'een zoon' of 'een dochter', tel dan alleen die kinderen.
Schrijf dominant met een hoofdletter en recessief met een kleine letter, en altijd dezelfde letter.
Gezonde ouders met een aangedaan kind: het allel is recessief en de ouders dragen het allel.
This item has no instructions