AIB21A4 week 2 la familia

Español A1/A2 
1 / 35
next
Slide 1: Slide
SpaansMBOStudiejaar 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Español A1/A2 

Slide 1 - Slide

Hasta ahora
Verbos SER y TENER
El alfabeto
Pronunciación (uitspraak)
Numeros 1 - 20
Pronombres personales

                            ¿Preguntas? ¿Dudas? 
      

Slide 2 - Slide

Programa de hoy

Repaso de los pronombres (persoonlijke voornaamwoorden)
Los artículos (lidwoorden)
Sustantivos (zelfstandige naamwoorden
Plural (meervoud)
Verbos (werkwoorden) regulares terminando en -AR 

Slide 3 - Slide

Los artículos = lidwoorden
Wat zijn lidwoorden?
Welke kennen we in het Nederlands?
Wat is het verschil tussen een bepaald en onbepaald lidwoord?

Slide 4 - Slide

Lidwoorden (m/v) 
De/het    (bepaalde)


El -> mannelijk (ev) / Los (mannelijk (mv)
La - vrouwelijk (ev) / Las (vrouwelijk (mv)

Slide 5 - Slide

Lidwoorden (m/v) 
Een    (onbepaalde)


Un -> mannelijk (ev) / Unos (mannelijk (mv)
Una - vrouwelijk (ev) / Unas (vrouwelijk (mv)

Slide 6 - Slide

Lidwoorden (m/v)
El chico   (de jongen)                   la chica  (het meisje)
Los chicos (de jongens)            las chicas (de meisjes)


El -> mannelijk (ev) / Los (mannelijk (mv)
La - vrouwelijk (ev) / Las (vrouwelijk (mv)

Slide 7 - Slide

Mannelijke & vrouwelijke lidwoorden (Los artículos)


Slide 8 - Slide

Lidwoorden (m/v)
mannen ->  el profesor                    vrouwen -> la profesora 
 - o            ->  el libro                             - a             -> la casa 
- ma         -> el programa                   - ión          -> la estación
- veel medeklinkers - el pan,           - dad         -> la universidad 
   el fútbol
Rest van de woorden-> uit het hoofd leren.


Slide 9 - Slide

Mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden?
Hoe herken je die in het Spaans?
Mannelijke zelfstandige 
naamwoorden eindigen op:
 -O: zoals EL libro (het boek), EL niño  (de jongen), EL cuaderno (het schrift)
 -L: zoals EL hotel (het hotel), EL árbol (de boom) 
 -AJE: zoals EL equipaje (de bagage), EL garaje (de garage)
 -OR: zoals EL amor (de liefde) EL vendedor (de verkoper)
-MA: zoals EL sistema (het systeem).


Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden eindigen op:
-A: zoals LA casa (het huis), LA niña 
(het meisje) LA bicicleta (de fiets)
-SIÓN: LA decisión (de beslissing) 
-CIÓN: LA estación (het station) 
-DAD: LA edad (de leeftijd) LA verdad (de waarheid)
-TAD: LA libertad (de vrijheid),
 -ED: LA pared (de muur)


Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

El
La 
   tortilla
  señor
  formulario
  prioridad
  vaca
  actriz
   bicicleta
  colegio
  toro 
  vestido 
  presentación

Slide 12 - Drag question

Plaats de zelfstandige naamwoorden bij het juiste lidwoord.
la
los
las
el
profesora
música
mesa
libro
bolígrafos
carpetas
alumnos
sillas
pizarras
borrador

Slide 13 - Drag question

Slide 14 - Link

El sustantivo (zelfstandig naamwoord)


Wat is een zelfstandig naamwoord?
Kun je een voorbeeld noemen?

Slide 15 - Slide

Een zelfstandig nw. is in het Spaans altijd mannelijk of vrouwelijk





La chica (vrouwelijk)
El chico (mannelijk)
La ciudad (vrouwelijk)
El libro (mannelijk)

Slide 16 - Slide

Plural (meervoud)
Als je een Spaans woord in het meervoud zet, komt er 's' of 'es' bij.

  • Eindigt een zelfstandig naamwoord op een klinker (A/E/O/U/I)?    +s
  • Eindigt een zelfstandig naamwoord niet op een klinker?               +es


La mesa >    Las mesas                            El rotulador  >   Los rotuladores 
El libro    >    Los libros                              Una ciudad   >   Unas ciudades
Vergeet niet dat je ook het lidwoord moet aanpassen naar het meervoud!

Slide 17 - Slide

Plural (meervoud)
Woorden eindigend op klinkers (a, e, i, o, u)  -> + s
fruta -> frutas,  libro -> libros,  nombre -> nombres

Woorden eindigend op medeklinkers  -> + es
hotel -> hoteles, canción -> canciones 
PAS OP! Uitzonderingen: woorden op  -y + es: rey = reyes
woorden op -z (z = c): feliz = felices

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

Slide 20 - Link

Slide 21 - Link

Verbos terminando en -ar
¿Qué es un verbo?

Slide 22 - Slide

Regelmatige werkwoord 
eindigend op -AR
Hele werkwoord eindigend op -AR

Bijv. hablar, cantar, viajar, caminar

Stam + vervoeging
Hele ww = cantar
Stam = cant + vervoeging

Slide 23 - Slide

De stammen van
hablar, viajar en caminar
zijn:

Slide 24 - Mind map

Vervoeging ww op -ar
Yo                        stam + o                    hablo               ik praat
Tú                        stam + as                  hablas            jij praat
El/ella/Ud        stam + a                     habla              hij/zij/u praat
Nosotros/as  stam + amos            hablamos     wij praten
Vosotros/as   stam + áis                 habláis            jullie praten
Ellos/ellas/Uds stam + an              hablan            zij praten

Slide 25 - Slide

Yo
O
bailO
AS
bailAS
Él/ella/usted
A
bailA
Nosotros
AMOS
bailAMOS
Vosotros
ÁIS
bailÁIS
Ellos/ellas
AN
bailAN

Slide 26 - Slide

verbos regulares (regelmatige werkwoorden)
-ar, -er, -ir



Hablar
(praten)

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Link

Slide 29 - Link

- AR werkwoorden
yo bail
tú bail
él/ella/usted bail
Nosotros/nosotras bail
vosotros/as bail
ellos/ellas/ustedes bail
-O
-AS
-A
-AMOS
-ÁIS
-AN

Slide 30 - Drag question

Sleep de -AR werkwoorden naar de juiste plek.
3.  Yo...................perfectamente el inglés.
1. Tú...............la salsa y el flamenco.
2. Pedro.............música española en su dormitorio.
5. Nosotros..................bien.
4. Carlos y tú .............por el parque.
6. Juan y María .......................en la escuela.
hablo
bailas
escucha
camináis
cantamos
estudian

Slide 31 - Drag question

Oefenen met regelmatige werkwoorden op -AR
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
HABLO
BAILO
CANTA
BAILAN
ESCUCHAS
TOCAMOS
ESCUCHÁIS
BAILA
HABLAN
CANTAMOS
ESTUDIÁIS
HABLAS

Slide 32 - Drag question

Slide 33 - Video

Los deberes:
LessonUp:  
leren repaso 1, repaso 2
Libro:
p. 14 de tegenwoordige tijd van regelmatige werkwoorden
p.20 Familiebetrekkingen
Quizlet:
basiswoordenschat familia

Slide 34 - Slide

¡Hasta mañana!

Slide 35 - Slide