Plein M - herhaling 6.3 + 6.4

 Herhaling 6.3 + 6.4
1 / 27
next
Slide 1: Slide
WereldoriëntatieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

 Herhaling 6.3 + 6.4

Slide 1 - Slide

Wat hebben we ook alweer geleerd?
6.3
- Het verschil tussen weer en klimaat
- Hoe je een klimaatgrafiek moet aflezen
- Dat de ligging van de aarde invloed heeft op de temperatuur
- Dat de hoogte van het landschap invloed heeft op de temperatuur
- Hoe seizoenen ontstaan en welke invloed seizoenen op de temperatuur hebben
6.4
- Wat een klimaatgebied is
- Welke klimaatgebieden er tussen de polen en de evenaar liggen
- Waarom er verschillende plantenzones zijn vanaf de evenaar naar de polen
- Welke plantenzones er zijn

Slide 2 - Slide

Sleep de kenmerken naar het goede vak
Weer
Klimaat
Temperatuur
Over een lange periode
van dag tot dag
in een groot gebied
Windkracht
bewolking
Windrichting
Neerslag

Slide 3 - Drag question

Sleep de seizoenen naar het goede cijfer
Winter
Zomer
Lente
Herfst

Slide 4 - Drag question

Slide 5 - Slide

De draaiing van de aarde
in een jaar om de zon
wordt weergeven door de
A
rode pijl
B
blauwe pijl

Slide 6 - Quiz

Slide 7 - Slide

De draaiing van de aarde
om zijn eigen as, wordt
weergeven door de
A
rode pijl
B
blauwe pijl

Slide 8 - Quiz

Beneden in het dal is het 1)... dan op de berg, omdat de zon eerst 2)... verwarmt.
A
1) warmer 2) de top van de berg
B
1) kouder 2) het aardoppervlak
C
1) warmer 2) het aardoppervlak
D
1) kouder 2) de top van de berg

Slide 9 - Quiz

De temperatuur daalt elke 1) ... omhoog met 2) ... .
A
1) 100 meter 2) 6 graden
B
1) 1000 meter 2) 16 graden
C
1) 100 meter 2) 16 graden
D
1) 1000 meter 2) 6 graden

Slide 10 - Quiz

Stel, je bent op vakantie in Zwitserland. Waar je bent is het 500m hoog en het is 25 graden. Je gaat met de kabelbaan de berg op naar 2500m, dus 2000m omhoog. Hoe koud is het op 2500m hoog?
A
13 graden
B
6 graden
C
12 graden
D
25 graden

Slide 11 - Quiz

Maak de juiste combinatie tussen de situatie (links) en de oorzaak (rechts)
's Nachts is het een stuk kouder dan overdag.
In de zomer zijn de dagen langer en warmer.
Boven op de berg ligt soms eeuwige sneeuw.
Op de polen is het koud en op de evenaar warm.
De aarde draait in een jaar om de zon.
Hoge zonnestand bij de evenaar, laag bij de polen
De aarde draait in 24uur om zijn eigen as.
De aarde wordt vanaf de grond opgewarmd

Slide 12 - Drag question

Welke klimaat geeft klimaatgrafiek A aan?
A
tropisch klimaat
B
poolklimaat
C
woestijnklimaat
D
landklimaat

Slide 13 - Quiz

Welke klimaat geeft klimaatgrafiek b aan?
A
tropisch klimaat
B
poolklimaat
C
woestijnklimaat
D
landklimaat

Slide 14 - Quiz

Welke 5 klimaten kennen we?

Slide 15 - Open question

Altijd droog en warm
A
tropisch klimaat
B
woestijnklimaat
C
landklimaat
D
zeeklimaat

Slide 16 - Quiz

's zomers heet, 's winters koud
A
tropisch klimaat
B
poolklimaat
C
landklimaat
D
zeeklimaat

Slide 17 - Quiz

altijd nat en warm
A
tropisch klimaat
B
poolklimaat
C
woestijnklimaat
D
zeeklimaat

Slide 18 - Quiz

altijd koud en sneeuw
A
woestijnklimaat
B
landklimaat
C
zeeklimaat
D
poolklimaat

Slide 19 - Quiz

zachte winters, koele zomers en altijd wat neerslag
A
tropisch klimaat
B
landklimaat
C
zeeklimaat
D
poolklimaat

Slide 20 - Quiz

1
2
3
4
5

Slide 21 - Slide


1
2
3
4
5

Slide 22 - Open question

Maak de juist combinaties
Tropisch regenwoud
naaldbos
woestijn
loofbos
bijna geen planten, hooguit een cactus
bomen die hun blad verliezen in de winter
veel hoge bomen en struiken, het hele jaar groen
bomen die altijd groen zijn, omdat ze hun naalden niet verliezen

Slide 23 - Drag question

Nederland heeft een
A
landklimaat
B
zeeklimaat

Slide 24 - Quiz

De neerslag bij het poolklimaat bestaat uit
A
ijs
B
sneeuw

Slide 25 - Quiz

In gebieden met een zeeklimaat is veel
A
loofbos
B
naaldbos

Slide 26 - Quiz

In een tropisch klimaat is het
A
droog en warm
B
nat en warm

Slide 27 - Quiz