Theme 7 - Should and have to

Leerdoel:
Je weet hoe je de hulpwerkwoorden (modals) should en have to gebruikt.

1 / 19
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Leerdoel:
Je weet hoe je de hulpwerkwoorden (modals) should en have to gebruikt.

Slide 1 - Slide

Wat betekent het woord should & shouldn't in het Nederlands?

- Hmmm. You should try this!

- You should stop eating fast food. It is unhealthy.

- Sarah should go to the doctor, she looks sick.


- Mary shouldn't drink so much wine.

- You shouldn't do that! It's not allowed.

- You shouldn't watch so much tv. It will give you a headache.

Slide 2 - Slide

Vertaal SHOULD and SHOULDN'T
naar het Nederlands.
timer
1:00

Slide 3 - Open question

should and shouldn't
Je gebruikt should (not) + het hele werkwoord 
als je vind dat iets wel of niet zou moeten.

Je wilt bijvoorbeeld advies geven of iets afraden.

Slide 4 - Slide

Wat betekent het woord has to / have to in het Nederlands?

- It's important. You have to do this  for your mother.
- I can't go to the movies. I have to do my chores first.
- She has to finish her homework before she can go out to play.

Slide 5 - Slide

Wat betekent het woord
has to / have to in het Nederlands?
timer
0:45

Slide 6 - Open question

Wat betekent don't have to/ doesn't have to?

- You don't have to eat all those fries. Just leave them.
- My grand parents don't have to work anymore.
- She doesnt have to do that if she doesn't want to.

Slide 7 - Slide

Wat betekent don't have to/
doesn't have to?
timer
0:45

Slide 8 - Open question

Je gebruikt has to / have to + het hele werkwoord als iets van iemand anders moet

Je gebruikt doesn't have to / don't have to + hele werkwoord als iets niet hoeft

Note: 
Havo to / has to drukt een sterkere dwang uit dan "should".

Slide 9 - Slide

I can use must, should and have to correctly
A
Absolutely!
B
A little, I need to practise more
C
No, I need extra explanation

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Slide

A towel!

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Welk voegwoord geeft oorzaak/ reden aan?
A
and
B
but
C
because

Slide 14 - Quiz

Welk voegwoord geeft een opsomming aan?
A
and
B
but
C
because

Slide 15 - Quiz

Since betekent:
A
nadat
B
maar
C
aangezien

Slide 16 - Quiz

Although betekent:
A
hoewel
B
maar
C
daarom

Slide 17 - Quiz

Conjunctions gebruik je om
A
zinnen vragend te maken
B
zinnen samen te voegen
C
zinnen in voltooide tijd te zetten
D
zinnen in verleden tijd te zetten

Slide 18 - Quiz

Log in and connect the conjunctions (voegwoorden).
and
because
so
(al)though / even though
but / however
as / for / since
gevolg
opsomming
keuze
reden / oorzaak
tegenstelling

Slide 19 - Drag question