Feedback op interview

Vandaag

  • Feedback op interview + verbeteren
    - vaste voorzetsels
    - helpen/de hulp
    - congruentie

  • Samen verhaal bedenken

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 6

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Vandaag

  • Feedback op interview + verbeteren
    - vaste voorzetsels
    - helpen/de hulp
    - congruentie

  • Samen verhaal bedenken

Vaste voorzetsels

  • Vrijwilliger zijn bij een organisatie.

  • Werken in de buurt .

  • Iets zeggen tegen iemand.

  • Geboren zijn in 2006.

  • Helpen opruimen na de ramp.

  • Uitdelen van voedsel aan arme mensen.

  • Zorgen voor de veiligheid.

  • Het verschil tussen arm en rijk.

  • Wat vind je leuk aan je werk?

  • Iedereen heeft toegang tot gezondheidszorg.

  • Wat vind jij van het werk? 

Vrijwilliger zijn ___ een organisatie.

A

tegen

B

voor

C

in

D

bij

Werken ___ de buurt.

A

bij

B

aan

C

in

D

tussen

Iets zeggen ___ iemand.

A

tegen

B

aan

C

in

D

voor

Geboren zijn ___ 2006.

A

na

B

voor

C

in

D

bij

Helpen opruimen ___ de ramp.

A

tegen

B

in

C

bij

D

na

Uitdelen ___ voedsel ___ arme mensen.

A

van

B

in

C

voor

D

aan

Zorgen ___ de veiligheid.

A

bij

B

tegen

C

in

D

voor

Het verschil ___ arm en rijk.

A

tussen

B

aan

C

in

D

voor

Wat vind je leuk ___ je werk?

A

tegen

B

in

C

aan

D

voor

Iedereen heeft toegang ___ gezondheidszorg.

A

voor

B

aan

C

in

D

tot

Wat vind jij ___ het werk?

A

van

B

bij

C

voor

D

in

Helpen/de hulp

Werkwoord (verb): helpen

De vrijwilligers helpen met opruimen.

Ik help met het uitdelen van voedsel.

Hij helpt zijn broertje met het huiswerk.


Zelfstandig naamwoord (noun): de hulp

Alle hulp is welkom!

De ouderen hebben hulp nodig.

De hulp na de aardbeving komt maar langzaam op gang.

Hij kan mij goed ___

A

hulpen

B

helpen

Zij biedt altijd haar ___ aan.

A

help

B

hulp

Ik heb hem gevraagd om te ___.

A

hulpen

B

helpen

Zij ___ mij met mijn huiswerk.

A

helpt

B

hulpt

Congruentie; Zoek de fouten!

  1. Wij werkt samen aan een betere wereld.

  2. Kika zijn een organisatie die werken voor kinderen met kanker.

  3. Ik gaan ze bellen om te vragen of ik kunnen helpen.

  4. Ik wilt dat iedereen het ook ervaren.

  5. Kunt je vertellen wat je doen in de voedselbank?

  6. Onze school vroegen of we kon helpen.

Aan de slag!

Bekijk nu de feedback op je toets.


+ = Wat ging goed

- = Wat kan beter


Verbeter (met een andere kleur pen) de congruentiefouten.

Deze kan je vinden in de zinnen waarvoor een staat.