Klare taal!
Les 5 & 6
werkwoord, stam en persoonsvorm
Klare taal!
Les 5 & 6
werkwoord, stam en persoonsvorm
Vandaag leer je:
de stam maken;
de ik-vorm maken;
het verschil tussen de stam en de ik-vorm.
Lesdoelen
Een werkwoord vertelt wat je doet.
Bijvoorbeeld:
👀 kijken
💃 dansen
😂 lachen
🥤 drinken
Wat is een werkwoord?
De stam = het werkwoord zonder -en.
kijken → kijk
dansen → dans
lachen → lach
drinken → drink
👉 -en eraf = stam
de stam van een werkwoord
stam
fietsen
Maak de stam van het werkwoord:
lopen
Maak de stam van het werkwoord:
liggen
Maak de stam van het werkwoord:
eten
Maak de stam van het werkwoord:
fietsen - fiets
lopen - lop
liggen - ligg
eten - et
Hé… soms ziet de stam er een beetje raar uit.
De ik-vorm begint met:
IK
ik werk
ik speel
ik woon
ik loop
De ik-vorm schrijf je goed.
Kijk goed:
wonen → won = stam
ik woon = ik-vorm
lopen → lop = stam
ik loop = ik-vorm
De stam en de ik-vorm zijn soms anders.
Waarom?
We willen de goede klank houden.
wonen → won ❌
won klinkt anders.
Daarom:
wonen → woon ✅
ik woon
lopen
lopen → lop
Maar:
ik lop ❌
ik loop ✅
We schrijven een extra o.
lop → loop
eten
eten → et
Maar:
ik et ❌
ik eet ✅
We schrijven een extra e.
et → eet
STAM
-en eraf
IK-VORM
IK + goed schrijven
Bijvoorbeeld:
wonen → won → ik woon
lopen → lop → ik loop
eten → et → ik eet
Soms staan er twee dezelfde letters.
liggen → ligg
Maar:
ik ligg ❌
ik lig ✅
Er gaat één g weg.
zeggen
zeggen → zegg
ik zegg ❌
ik zeg ✅
Eén g gaat weg.
De regel
1. Maak de stam.
werkwoord - en
2. Maak de ik-vorm.
Kijk goed naar de klank.
Soms komt er een letter bij.
wonen → won → woon
Soms gaat er een letter weg.
liggen → ligg → lig
Schrijf op in je schrift!
Wat is de stam van werken?
werk
werkt
werken
werkten
Wat is de stam van spelen?
speel
spel
spelen
speelt
Wat is de stam van wonen?
wonen
woon
won
woont
hebben
stam
ik-vorm
heb
hebb
slapen
stam
ik-vorm
slaap
slap
zitten
stam
ik-vorm
zit
zitt
Maak nu opdracht 1 & 2
Vandaag heb je geleerd om
de stam te maken;
de ik-vorm te maken;
wat het verschil tussen de stam en de ik-vorm is.
Lesdoelen
Vandaag leer je:
wat vervoegen is;
hoe je werkwoorden vervoegd.
Lesdoelen
vervoegen
Het werkwoord verandert.
Wie doet iets?
ik → ik werk
jij → jij werkt
hij → hij werkt
👉 Het werkwoord verandert.
Hoe doe je dat?
1. Kijk naar het werkwoord.
werken
2. Maak de stam.
werken → werk
3. Zet de persoon ervoor.
ik → ik werk
jij → jij werkt
hij → hij werkt
👉 Bij ik gebruik je de ik-vorm.
Kijk goed!
werken
Onthoud:
ik → ik-vorm
jij/hij/zij → stam + t
wij/jullie/zij → hele werkwoord
werkwoord: kijken
Welk werkwoord hoort bij: jij
kijk
kijkt
kijken
keek
werkwoord: praten
Welk werkwoord hoort bij: ik
praat
prat
praten
praatten
werkwoord: werken
Welk werkwoord hoort bij: wij
werk
werkt
werken
werkten
Maak nu opdracht 3 & 4
Vandaag heb je geleerd:
wat vervoegen is;
hoe je werkwoorden vervoegd.
Lesdoelen
Vandaag leer je:
zinnen maken met de juiste persoonsvorm;
de juiste vorm gebruiken bij een vraag met jij/je.
Lesdoelen
Wat is de persoonsvorm?
De vorm van het werkwoord die bij de persoon hoort, noemen we de persoonsvorm.
Bijvoorbeeld:
ik luister
jij luistert
hij luistert
wij luisteren
👉 luister, luistert en luisteren zijn persoonsvormen.
Om de persoonsvorm te maken,
hebben we de stam nodig:
luisteren → luister
spreken → spreek
zetten → zet
👉 -en eraf = stam
Maar let op:
spreken → sprek ❌
zetten → zett ❌
In het Nederlands staan nooit twee dezelfde
letters (medeklinkers) aan het einde van een woord.
Dus:
zetten → zett ❌
We schrijven:
zetten → zet ✅
pakken → pakk ❌
→ pak ✅
liggen → ligg ❌
→ lig ✅
👉 Twee dezelfde letters naast elkaar? Aan het einde van een woord kan dat niet.
Aan het einde van een woord staat nooit v of z.
Bijvoorbeeld:
geven → geev ❌
geven → geef ✅
lezen → leez ❌
lezen → lees ✅
👉 v → f
👉 z → s
Nu maken we de persoonsvorm:
geven
Hele werkwoord: geven
Persoonsvorm:
ik geef
jij geeft
hij geeft
wij geven
lezen
Hele werkwoord: lezen
Persoonsvorm:
ik lees
jij leest
hij leest
wij lezen
Wat is de persoonsvorm?
Ik spreek Nederlands.
ik
spreek
Nederlands
Wat is de persoonsvorm?
Wij gaan naar school.
wij
gaan
naar
school
Wat is de persoonsvorm?
Ik zwem in de zomer.
ik
zwem
de
zomer
Maak nu opdracht 1 & 2
Let op!
Staat jij of je achter de persoonsvorm?
Dan schrijf je geen -t.
Jij werkt.
→ Werk jij?
Jij loopt.
→ Loop je?
Jij woont.
→ Woon jij?
👉 jij/je achter de persoonsvorm → geen -t
Maak nu opdracht 4 & 5
Vandaag heb je geleerd:
om zinnen maken met de juiste persoonsvorm;
de juiste vorm te gebruiken bij een vraag met jij/je.
Lesdoelen