Klare taal: les 5 & 6 - werkwoorden, stam en persoonsvorm

Klare taal! 

Les 5 & 6

werkwoord, stam en persoonsvorm

1 / 51
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Klare taal! 

Les 5 & 6

werkwoord, stam en persoonsvorm

Vandaag leer je:


  • de stam maken;

  • de ik-vorm maken;

  • het verschil tussen de stam en de ik-vorm.

Lesdoelen

Een werkwoord vertelt wat je doet.

Bijvoorbeeld:

👀 kijken
💃 dansen
😂 lachen
🥤 drinken

Wat is een werkwoord?

De stam = het werkwoord zonder -en.

kijken → kijk

dansen → dans

lachen → lach

drinken → drink


👉 -en eraf = stam

de stam van een werkwoord

stam

fietsen

Maak de stam van het werkwoord:

lopen

Maak de stam van het werkwoord:

liggen

Maak de stam van het werkwoord:

eten

Maak de stam van het werkwoord:

  • fietsen - fiets

  • lopen - lop

  • liggen - ligg

  • eten - et


Hé… soms ziet de stam er een beetje raar uit.

De ik-vorm begint met:

IK


  • ik werk

  • ik speel

  • ik woon

  • ik loop


De ik-vorm schrijf je goed.

Kijk goed:


wonen → won = stam


ik woon = ik-vorm


lopen → lop = stam


ik loop = ik-vorm


De stam en de ik-vorm zijn soms anders.

Waarom?


We willen de goede klank houden.

wonen → won ❌


won klinkt anders.


Daarom:

wonen → woon ✅

ik woon

lopen

lopen → lop


Maar:

ik lop ❌

ik loop ✅


We schrijven een extra o.

lop → loop

eten

eten → et


Maar:

ik et ❌

ik eet ✅


We schrijven een extra e.

et → eet

STAM

-en eraf


IK-VORM

IK + goed schrijven


Bijvoorbeeld:

wonen → won → ik woon

lopen → lop → ik loop

eten → et → ik eet


Soms staan er twee dezelfde letters.

liggen → ligg


Maar:

ik ligg ❌

ik lig ✅


Er gaat één g weg.

zeggen


zeggen → zegg

ik zegg ❌

ik zeg ✅


Eén g gaat weg.

De regel

1. Maak de stam.

werkwoord - en


2. Maak de ik-vorm.

Kijk goed naar de klank.


Soms komt er een letter bij.

wonen → won → woon

Soms gaat er een letter weg.

liggen → ligg → lig

Schrijf op in je schrift!

Wat is de stam van werken?

A

werk

B

werkt

C

werken

D

werkten

Wat is de stam van spelen?

A

speel

B

spel

C

spelen

D

speelt

Wat is de stam van wonen?

A

wonen

B

woon

C

won

D

woont

hebben

stam

ik-vorm



heb

hebb

slapen

stam

ik-vorm



slaap

slap

zitten

stam

ik-vorm



zit

zitt


Maak nu opdracht 1 & 2


Vandaag heb je geleerd om


  • de stam te maken;

  • de ik-vorm te maken;

  • wat het verschil tussen de stam en de ik-vorm is.

Lesdoelen

Vandaag leer je:


  • wat vervoegen is;

  • hoe je werkwoorden vervoegd.

Lesdoelen

vervoegen

Het werkwoord verandert.


Wie doet iets?

ik → ik werk
jij → jij werkt
hij → hij werkt


👉 Het werkwoord verandert.

Hoe doe je dat?


1. Kijk naar het werkwoord.

werken


2. Maak de stam.

werken → werk


3. Zet de persoon ervoor.

ik → ik werk
jij → jij werkt
hij → hij werkt


👉 Bij ik gebruik je de ik-vorm.

Kijk goed!


werken





Onthoud:


ik → ik-vorm
jij/hij/zij → stam + t
wij/jullie/zij → hele werkwoord


werkwoord: kijken

Welk werkwoord hoort bij: jij

A

kijk

B

kijkt

C

kijken

D

keek

werkwoord: praten

Welk werkwoord hoort bij: ik

A

praat

B

prat

C

praten

D

praatten

werkwoord: werken

Welk werkwoord hoort bij: wij

A

werk

B

werkt

C

werken

D

werkten


Maak nu opdracht 3 & 4

Vandaag heb je geleerd:


  • wat vervoegen is;

  • hoe je werkwoorden vervoegd.

Lesdoelen

Vandaag leer je:


  • zinnen maken met de juiste persoonsvorm;

  • de juiste vorm gebruiken bij een vraag met jij/je.

Lesdoelen

Wat is de persoonsvorm?


De vorm van het werkwoord die bij de persoon hoort, noemen we de persoonsvorm.


Bijvoorbeeld:

ik luister
jij luistert
hij luistert
wij luisteren


👉 luister, luistert en luisteren zijn persoonsvormen.

Om de persoonsvorm te maken,

hebben we de stam nodig:


luisteren → luister

spreken → spreek

zetten → zet

👉 -en eraf = stam


Maar let op:

spreken → sprek ❌
zetten → zett ❌

In het Nederlands staan nooit twee dezelfde

letters (medeklinkers) aan het einde van een woord.


Dus:

zetten → zett ❌


We schrijven:

zetten → zet ✅

pakken → pakk ❌
→ pak ✅


liggen → ligg ❌
→ lig ✅


👉 Twee dezelfde letters naast elkaar? Aan het einde van een woord kan dat niet.

Aan het einde van een woord staat nooit v of z.


Bijvoorbeeld:

geven → geev ❌
geven → geef ✅


lezen → leez ❌
lezen → lees ✅


👉 v → f
👉 z → s

Nu maken we de persoonsvorm:

geven


  1. Hele werkwoord: geven

  2. Persoonsvorm:

ik geef
jij geeft
hij geeft
wij geven

lezen


Hele werkwoord: lezen


Persoonsvorm:

ik lees
jij leest
hij leest
wij lezen

Wat is de persoonsvorm?

Ik spreek Nederlands.

A

ik

B

spreek

C

Nederlands

D


Wat is de persoonsvorm?

Wij gaan naar school.

A

wij

B

gaan

C

naar

D

school

Wat is de persoonsvorm?

Ik zwem in de zomer.

A

ik

B

zwem

C

de

D

zomer


Maak nu opdracht 1 & 2


Let op!

Staat jij of je achter de persoonsvorm?

Dan schrijf je geen -t.


Jij werkt.
→ Werk jij?


Jij loopt.
→ Loop je?


Jij woont.
→ Woon jij?


👉 jij/je achter de persoonsvorm → geen -t


Maak nu opdracht 4 & 5


Vandaag heb je geleerd:


  • om zinnen maken met de juiste persoonsvorm;

  • de juiste vorm te gebruiken bij een vraag met jij/je.

Lesdoelen