Klas 1 week 19 herhaling grammatica chap 3

BONJOUR CLASSE!
1 / 38
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

BONJOUR CLASSE!

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Volgende week:
Proefwerk hoofdstuk 3

  • Woorden
  • Zinnen
  • Grammatica

Slide 7 - Slide

LEERDOEL
Je herhaalt alle grammatica die je bent tegengekomen in hoofdstuk 3

Slide 8 - Slide

We herhalen:

* Het werkwoord être (zijn)
* Het bezittelijk vnw
* En we doen een beetje klokkijken

Slide 9 - Slide

ÊTRE

Slide 10 - Slide

zijn - être
ik ben - je suis
jij bent - tu es
hij/zij is - il/elle est

wij zijn - nous sommes
jullie zijn - vous êtes
zij zijn - ils/elles sont

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Prends ton livre

  • Page 110

Slide 13 - Slide

Vertaal: jij bent
A
je suis
B
tu es
C
il est
D
nous sommes

Slide 14 - Quiz

Vertaal: ik ben
A
je suis
B
tu es
C
il est
D
nous sommes

Slide 15 - Quiz

Vertaal: hij is
A
je suis
B
tu es
C
il est
D
nous sommes

Slide 16 - Quiz

Vertaal: jullie zijn
A
je suis
B
il est
C
vous êtes
D
nous sommes

Slide 17 - Quiz

Vertaal: wij zijn
A
ils sont
B
vous êtes
C
elles sont
D
nous sommes

Slide 18 - Quiz

Wat is in het Frans: zij is

Slide 19 - Open question

HET BEZITTELIJK VNW

Slide 20 - Slide

Bron H: het bezittelijk voornaamwoord






Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is. 
De vorm hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.  
BV: Max is mijn broer - Max est mon frère (m.ev)

Slide 21 - Slide

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord

Slide 22 - Slide

Je kijkt dus heel goed...

...of een woord *mannelijk, *vrouwelijk of *meervoud is

Slide 23 - Slide

Prends ton livre

  • Page 124

Slide 24 - Slide

tante
parents
père
mon
ma
mes

Slide 25 - Drag question

C'est ... père.
A
mon
B
ma
C
mes

Slide 26 - Quiz

(haar) broer
A
son
B
mon
C
sa
D
ses

Slide 27 - Quiz

(zijn) broer
A
sa
B
son
C
ses
D
mon

Slide 28 - Quiz

(hun) ... plage
A
leurs
B
notre
C
votre
D
leur

Slide 29 - Quiz

(hun) plages
A
leur
B
leurs
C
notre
D
nos

Slide 30 - Quiz

onze ouders
A
vos parents
B
ses parents
C
leurs parents
D
nos parents

Slide 31 - Quiz

KLOKKIJKEN

Slide 32 - Slide

Klokkijken
Hoe laat is het?
Quelle heure est-il?

Het is......
Il est......

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Video

Prends ton livre
  • Page 106

Slide 35 - Slide

les heures - heel
Quelle heure est-il? ->Il est ... heure(s)
-> Il est une heure
     Il est deux heures
     Il est trois heures

Il est midi - 12 uur 's middags
Il est minuit - 12 uur 's nachts

Slide 36 - Slide

Les heures - half

il est une heure et demie (1:30)
il est deux heures et demie (2:30)
il est trois heures et demie (3:30)
il est quatre heures et demie (4:30)
il est cinq heures et demie (5:30)

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide