4.3 Formules en Reactievergelijking kloppend maken

Van reactieschema naar reactievergelijking.
Reactieschema:
kalium (s) + broom (l) → kaliumbromide (s)
  • Reactievergelijking:
  • ... K (s) + ... Br2 (l) → ... KBr (s)
Reactieschema en reactievergelijking
1 / 49
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3,4

This lesson contains 49 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Van reactieschema naar reactievergelijking.
Reactieschema:
kalium (s) + broom (l) → kaliumbromide (s)
  • Reactievergelijking:
  • ... K (s) + ... Br2 (l) → ... KBr (s)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 1 - Slide

H4 Nieuwe stoffen maken

Slide 2 - Slide

Deze les:

  • 4.3 Reactievergelijking kloppend maken
H4 Stoffen maken

Slide 3 - Slide

Molecuulformules
Elke stof heeft een naam en een molecuulformule.

In de molecuulformule staan de atoomsoorten die in het molecuul zitten en hoevéél van elk atoomsoort (index)

Slide 4 - Slide

4.3 Reactievergelijkingen kloppend maken
Molecuulformules
Stoffen die uit niet metaal atomen bestaan noemen we moleculen of moleculaire stoffen.

Slide 5 - Slide

Molecuultekening
Molecuultekening van water
Bestaat uit:
  • 1 atoom zuurstof (O)
  • 2 atomen waterstof (H)
  • 1 molecuul

Molecuulformule
Molecuulformule:
2x een H-atoom
1x een O-atoom
Het kleine getal is de index en zegt hoe veel van een soort atomen aanwezig is, dit staat altijd achter het element.
Index is 1 laat je weg!

Index
Het kleine getal is de index en zegt hoe veel van een soort atomen aanwezig is, dit staat altijd achter het element.
Index is 1 laat je weg!

Coëfficiënt
Coëfficiënt staat voor de molecuulformule en geeft aan hoeveel moleculen ervan zijn. 

Voorbeeld: 3 CO2
3 * 1 atomen C (koolstof) dus 3 atomen totaal
3 * 2 atomen O (zuurstof) dus 6 atomen totaal

Slide 6 - Slide

Er zijn verschillende telwoorden
getal
telwoord
1
mono
2
di
3
tri
4
tetra
5
penta

Slide 7 - Slide

We kennen verschillende uitgangen
Laatste element in de formule
uitgang
O
oxide
Cl
chloride
S
sulfide
F
fluoride
I
jodide
P
fosfide

Slide 8 - Slide

Systematische naamgeving: CCl4
Stap 1: noteer de cijfers uit de formule met het juiste telwoord  (1 = mono en 4 = tetra)
Stap 2: noteer de symbolen en noteer de naam erachter 
(C = koolstof en Cl = chloride)
Stap 3: zet de telwoorden en de namen in de juiste volgorde achter elkaar
(koolstoftetrachloride)

Slide 9 - Slide

Welke regels gelden er?
  • Bij metaaloxiden geef je een naam zonder telwoorden  
  • Bijvoorbeeld  Na2O = natriumoxide


Slide 10 - Slide

Voorbeelden
  • Koolstofmono-oxide: CO
  • Koolstofdioxide: CO2
  • Fosfortrifluoride: PF3
  • Distikstofmono-oxide: N2O
  • Distikstoftetra-oxide: N2O4




Slide 11 - Slide

Welke regels gelden er?
  • Het telwoord komt voor de naam van het element
  • Het telwoord mono laten we weg voor het eerste element
  • Bij metaaloxiden geef je een naam zonder telwoorden  
  • Bijvoorbeeld  Na2O = natriumoxide
  • Bij een verbinding tussen Cl, S, F, I en P hoef je geen telwoord te gebruiken, maar het mag wel. 
  • Als de naam van een stof eindigt met 1 O dan schrijf je monoxide ipv mono-oxide


Slide 12 - Slide

Triviale naam
H2O -> water!
Alcohol

Slide 13 - Slide

Triviale namen
-water (diwaterstofmonoxide)
-keukenzout (natriumchloride)
-natroloog (natriumhydroxide)

Slide 14 - Slide

Molecuulformules
4.3 Reactievergelijkingen kloppend maken

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide


Cl2ara F2ietst  N2aar  H2aar 
O2ma I2n Br2eda

Slide 17 - Slide

Stappenplan molecuulformule (b.v. trizwavelpentachloride)
  1. Noteer de naam van de elementen met het symbool erachter
  2. Zet het bijbehorende cijfer achter het telwoord 
  3. Zet de symbolen met de juiste index in de goede volgorde achter elkaar

Slide 18 - Slide

Wat moet je kunnen?
P2O5
difosforpenta-oxide

Slide 19 - Slide

Verbrandingsreacties

Slide 20 - Slide

Verbrandingsreactie opstellen
-voor een verbrandingsreactie is altijd zuurstof (O2) nodig
Eindproducten vormen een oxide:

element
naam van het oxide
formule
koolstof
waterstof
zwavel

Slide 21 - Slide

Verbrandingsreactie opstellen
-voor een verbrandingsreactie is altijd zuurstof (O2) nodig
Eindproducten:

element
naam van het oxide
formule
koolstof
koolstofdioxide
CO2
waterstof
water
H2O
zwavel
zwaveldioxide
SO2

Slide 22 - Slide

Verbrandingsreactie
  • Een verbranding is een reactie van een BRANDBARE stof en ZUURSTOF  
  • De reactieproducten die ontstaan heten OXIDEN
  • b.v. koper      + zuurstof ------> koperoxide
  • b.v. koolstof + zuurstof ------> koolstofdioxide 

Slide 23 - Slide

Stappenplan verbrandingsreactie
Stap 1: Noteer de beginstof(fen) voor de pijl
Stap 2: Noteer O2 voor de pijl
Stap 3: Noteer de eindstoffen (oxiden) na de pijl
Stap 4: maak de reactievergelijking kloppend

Slide 24 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken

Slide 25 - Slide

Geef de verbrandingsreactie van CS2

Slide 26 - Open question

Wat nu doen
  • Maak de verdere opgaven bij paragraaf 5.2

Slide 27 - Slide

Atoommodel van Dalton

  • Atomen zijn de bouwstenen van stoffen.
  • Atomen zijn niet te vernietigen.
  • Bij een chemische reactie veranderen de atomen niet, maar worden ze anders gerangschikt.
4.3 Reactievergelijkingen kloppend maken

Slide 28 - Slide

 Schrijf het aantal atomen op dat je aan elke kant van de vergelijking hebt.
Kijk naar de index naast elk atoom om het aantal atomen in de vergelijking te achterhalen.

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Bewaar waterstof en zuurstof altijd voor het laatst. Dit betekent dat je de koolstofatoom eerst in evenwicht moet brengen.

Slide 31 - Slide

Breng vervolgens de waterstofatomen in evenwicht.

Slide 32 - Slide

Breng tot slot de zuurstofatomen in evenwicht.

Slide 33 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
Na
O
H
Eerst noteer je de reactie vergelijking. Vervolgens zet je de aanwezige elementen eronder, in volgorde van minste naar meeste aanwezig.

Slide 34 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
Na
O
H
Vervolgens controleer je stap voor stap of de hoeveelheid aanwezige atomen kloppen. Klopt dit niet? Dan pas je de hoeveelheid aan, en begin je weer van boven.

Slide 35 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
1 Na 1
O
H
Eerst bij natrium: zowel links als rechts zijn er 1 natrium atoom aanwezig.

Slide 36 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
1 Na 1
 1 O 1
H
Vervolgens bij zuurstof: zowel links als rechts zijn er 1 zuurstof atoom aanwezig.

Slide 37 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
1 Na 1
 1 O 1
2 H 3
Bij Waterstof zien we dat het mis gaat. Links van de pijl zijn er twee waterstof atomen, maar rechts van de pijl in totaal 3.
Hier moet dus iets veranderd worden.

Slide 38 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> 1/2 H2 (g) + NaOH (aq)
1 Na 1
 1 O 1
2 H 2
Door te H2 te vermenigvuldigen met 1/2 klopt de verhouding hier weer. Alleen mogen er geen breuken in een antwoord staan van een reactievergelijking.

Slide 39 - Slide

Reactievergelijkingen kloppend maken
2 H2O (l) + 2 Na (s) -> 1 H2 (g) + 2 NaOH (aq)
2 Na 2
 2 O 2
4 H 4
Dus door alles met 2 te vermenigvuldigen haal je de breuken weg, en klopt het antwoord weer.

Slide 40 - Slide

Regels kloppend maken
  • Voor en na de pijl moeten van elke atoomsoort evenveel atomen zijn 
  • Aan de moleculen zelf mag je niets veranderen (de index verandert niet) 
  • Als je op een half getal uitkomt voor de moleculen, doe je alle getallen (coefficienten) keer 2 

Slide 41 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
De vorming van vast kaliumbromide door de reactie tussen vast kalium en vloeibaar broom.
  • Reactieschema:
  • kalium (s) + broom (l) → kaliumbromide (s)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 42 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
kalium (s) + broom (l) → kaliumbromide (s)
... K (s) + ... Br2 (l) → ... KBr (s)
  • Atomen zijn niet te vernietigen
  • We gaan de reactievergelijking kloppend maken
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 43 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
Ammoniak wordt ontleed in stikstof en waterstof.
  • ammoniak (g) → stikstof (g) + waterstof (g)
  • ... NH3 (g) → ... N2 (g) + ... H2 (g)
  • ... NH3 (g) → ... N2 (g) + ... H2 (g)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 44 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
kalium (s) + broom (l) → kaliumbromide (s)
2 K (s) + ... Br2 (l) → 2 KBr (s)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 45 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
Ammoniak wordt ontleed in stikstof en waterstof.
  • ammoniak (g) → stikstof (g) + waterstof (g)
  • ... NH3 (g) → ... N2 (g) + ... H2 (g)
  • 2 NH3 (g) → ... N2 (g) + ... H2 (g)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 46 - Slide

Van reactieschema naar reactievergelijking.
Ammoniak wordt ontleed in stikstof en waterstof.
  • ammoniak (g) → stikstof (g) + waterstof (g)
  • ... NH3 (g) → ... N2 (g) + ... H2 (g)
  • 2 NH3 (g) → ... N2 (g) + 3 H2 (g)
Reactieschema en reactievergelijking

Slide 47 - Slide

Slide 48 - Link

Slide 49 - Slide