Bedrijf Starten (3e) Samenvatting H1-2

ZZP of loondienst
1 / 31
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

ZZP of loondienst

Slide 1 - Slide

Eenmanszaak (geen arbeidsovereenkomst)

Voordelen
  1. Zelf indelen van je tijd
  2. Hoge winst mogelijk
  3. Zelf personeel kiezen
  4. Meer belastingvoordelen
  5. Je hoeft niet te overleggen, zelf beslissingen kunnen maken


Nadelen
  1. Alles zelf regelen
  2. Lage winst mogelijk (winst fluctueert)
  3. Zelf klanten zoeken
  4. Zelf pensioen opbouwen
  5. Geen verzekering tegen ziekte en werkloosheid
  6. Aantal uur dat je werkt vaak meer dan in loondienst

Slide 2 - Slide

De oprichting van een onderneming



Stappenplan oprichting van een onderneming:
  1. inschrijven in het handelsregister (Kamer van Koophandel = KvK)  → naam
  2. vergunningen (bijvoorbeeld horeca / peuterspeelzaal)
  3. vestigingsplaats
  4. rechtsvorm → bepalend voor o.a. aansprakelijkheid
  5. begrotingen (investerings-, financiering-, exploitatie- en  liquiditeitsbegroting)
  6. personeel
  7. verzekeringen (opstalverzekering, WA-verzekering, overlijdensrisicoverzekering)

Slide 3 - Slide

Rechtsvormen
Rechtsvorm is de juridische vorm waarin een organisatie wordt uitgeoefend. Bij de oprichting van een onderneming heb je vaak te maken met de volgende 2 rechtsvormen:                      
  1. EenmansZaak (EZ)                                 natuurlijk persoon        commercieel    InkomstenBelasting
  2. Vennootschap onder Firma (VoF)    natuurlijk persoon       commercieel    InkomstenBelasting

Slide 4 - Slide

EenmansZaak (EZ)
  • 1 eigenaar
  • volledige zeggenschap
  • eigenaar hoofdelijk aansprakelijk voor schulden, dus ook met privé vermogen (ook van echtgenoot als je in gemeenschap van goederen bent getrouwd!, voorkomen door huwelijkse voorwaarden)
  • kan wel personeel in dienst hebben!
  • continuïteitsrisico (bij ziekte of overlijden, moeilijk aan lening komen) 

Slide 5 - Slide

Venootschap onder Firma (VoF)
  • 2 of meer eigenaren
  • overleg
  • specialisatie mogelijk
  • elke vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden, dus ook met privé vermogen
  • kan ook personeel in dienst hebben!
  • winstverdeling afspreken (indien niet afgesproken: winst verdelen naar evenredigheid van het ingebrachte vermogen)

Slide 6 - Slide

Financieel plan
Een financieel plan geeft aan hoeveel geld je nodig hebt en hoe je aan dat geld komt. Op basis van een financieel plan kun je beoordelen of je bedrijfsidee (financieel) haalbaar is. Het bestaat uit 4 onderdelen:
  1. investerings begroting = wat heb ik allemaal nodig voor bedrijfsmiddelen?
  2. financierings begroting = hoe ga ik daarvoor betalen?
  3. exploitatie begroting = wat zijn de verwachte opbrengsten en kosten?
  4. liquiditeits begroting = wat zijn de verwachte inkomsten en uitgaven?

Slide 7 - Slide

Hoe werkt de balans?
1. Welke 2 kanten heeft een balans?
  • linkerkant (debetzijde, activa of bezittingen)
  • rechterkant (creditzijde, passiva of schulden)
2. In welke groepen is de linkerkant verdeeld?
  • vaste activa (gaan langer mee dan 1 jaar)
  • vlottende activa (gaan korter mee dan 1 jaar)
  • liquide middelen (betaalmiddelen)
3. In welke groepen is de rechterkant verdeeld?
  • eigen vermogen
  • vreemd vermogen lang (schulden langer dan 1 jaar)
  • vreemd vermogen kort (schulden korter dan 1 jaar)

Slide 8 - Slide

Balans
Een balans is een financieel overzicht van bezittingen en schulden op een bepaald moment.

  • Bezittingen
        links van de balans
        debet (activa)
  • Schulden
        rechts van de balans
        credit (passiva)

De balans is altijd in balans en een momentopname (= voorraadgrootheid). Na een gebeurtenis binnen het bedrijf, zullen de bedragen op de balans gaan veranderen (= balansmutatie).

Slide 9 - Slide

Balans
1. De bezittingen (links) zijn verdeeld in:
 a. Vaste activa (langer dan een jaar)
  • Winkelpand en Bedrijfsauto
 b. Vlottende activa (korter dan een jaar)
  • Voorraad goederen en Debiteuren
 c. Liquide activa (betaalmiddelen)
  • Bank en Kas
2. De schulden (rechts) zijn verdeeld in:
 a. Eigen vermogen
  • Eigen vermogen
 b. Vreemd vermogen (lang)
  • Lening familie en Banklening
 c. Vreemd vermogen (kort)
  • Crediteuren

Slide 10 - Slide

Openingsbalans
Investeringsbegroting (bezittingen, links):
I. Vaste activa (langer dan een jaar)
II. Vlottende activa (korter dan een jaar)
III. Liquide activa (betaalmiddelen)

Financieringsbegroting (schulden, rechts):
IV. Eigen vermogen
V. Vreemd vermogen (lang)
VI. Vreemd vermogen (kort)

Slide 11 - Slide

Leverancierskrediet
Debiteuren (verstrekt leveranciers krediet)
  • Klanten (afnemers) die iets van je hebben gekocht (en je hebt de factuur opgemaakt), maar de klant heeft nog niet betaald. Je krijgt nog geld van ze (verstrekt leverancierskrediet).
  • Debiteuren staan debet (links) op de balans (= bezit).



Crediteuren (ontvangen leverancierskrediet)
  • Leveranciers (bedrijven) die iets aan je hebben geleverd (en je hebt de factuur ontvangen), maar je hebt nog niet betaald. Je hebt een schuld bij ze (ontvangen leverancierskrediet).
  • Crediteuren staan credit (rechts) op de balans (= schuld).

Slide 12 - Slide

Afnemerskrediet
Vooruit ontvangen bedragen (ontvangen afnemerskrediet)
  • Klanten (afnemers) die iets bij je bestellen en al (een deel) aan je vooruit hebben betaald. Je bent al betaald, maar je moet nog leveren (ontvangen afnemerskrediet).
  • Vooruit ontvangen bedragen staan credit (rechts) op de balans (= schuld).



Vooruitbetaalde bedragen (verstrekt afnemerskrediet)
  • Leveranciers (bedrijven) die iets gaan leveren en je hebt al (een deel) vooruit betaald. Je hebt al betaald, maar je krijgt nog geleverd van ze (verstrekt afnemerskrediet).
  • Vooruitbetaalde bedragen staan debet (links) op de balans (= bezit).

Slide 13 - Slide

Leveranciers- en afnemerskrediet

Slide 14 - Slide

Overlopende posten
Overlopende posten zijn balansposten waarbij het moment van de ontvangsten (of uitgaven) afwijkt van het moment waarop de opbrengsten (of kosten) worden geboekt. Je hebt 4 soorten overlopende posten:

Debet (bezit):
  • nog te ontvangen bedragen (van anderen dan klanten)
  • vooruitbetaalde bedragen (maar nog geen kosten)

Credit (schuld):
  • nog te betalen bedragen (aan anderen dan leveranciers)
  • vooruit ontvangen bedragen (maar nog geen opbrengsten)

Slide 15 - Slide

Investeringsbegroting
Op de investeringsbegroting staan de zaken die de ondernemer moet aanschaffen om het bedrijf te starten. Het zijn bezittingen die als activa links (debet) op de openingsbalans staan.
1. Vaste activa: bezittingen die > 1 jaar meegaan
  • gebouw, bestelauto en inventaris
2. Vlottende activa : bezittingen die < 1 jaar meegaan
  • voorraad goederen
  • debiteuren (verstrekt leverancierskrediet aan klanten)
  • nog te ontvangen bedragen (van anderen dan klanten: te ontvangen huur bijvoorbeeld)
  • vooruitbetaalde bedragen (vooruitbetaalde verzekeringspremie of huur bijvoorbeeld)
3. Liquide middelen
  •  kas en bank


Slide 16 - Slide

Financieringsbegroting
Op de financieringsbegroting staat hoe de bezittingen, de ik nodig denk te hebben, ga financieren. Het zijn schulden die als passiva rechts (credit) op de openingsbalans staan.
1. Eigen Vermogen (EV)
2. Lang Vreemd Vermogen (LVV):
  • hypothecaire lening en/of onderhandse lening
3. Kort Vreemd Vermogen (KVV):
  • rekening courant krediet (rood staan)
  • crediteuren (ontvangen leverancierskrediet van leveranciers)
  • afnemerskrediet (klant betaalt vooruit, jij moet het goed nog leveren! = schuld)
  • nog te betalen bedragen (aan anderen dan leveranciers)
  • vooruit ontvangen bedragen (van anderen dan klanten)

Slide 17 - Slide

Investerings- en financieringsbegroting
Kijkvragen:
1. Welke begrotingen neem je op in je ondernemingsplan?
  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • liquiditeitsbegroting
  • privé begroting

Slide 18 - Slide

Investerings- en financieringsbegroting
Kijkvragen:
2. Waar valt de post 'installatiekosten machine' onder?
  • vaste activa op de investeringsbegroting
3. Waar vallen de posten 'voorfinanciering BTW' en 'onvoorziene uitgaven' onder?
  • vlottende activa op de investeringsbegroting
4. Waar vallen de posten 'maandelijkse huur' en 'telefoonabonnement' onder?
  • kosten op de exploitatiebegroting
5. Waar valt de post 'ontvangen leverancierskrediet' onder?
  • kort vreemd vermogen op de financieringsbegroting 

Slide 19 - Slide

Belasting Toegevoegde Waarde
De BTW (Belasting Toegevoegde Waarde) is een indirecte belasting op goederen en diensten en wordt opgeteld bij de verkoopprijs van vrijwel alle producten en diensten. 

De afnemer (consument of bedrijf) betaalt de BTW en de leverancier (producent of winkelier) draagt de BTW (of omzetbelasting) periodiek (maandelijks of per kwartaal) af aan de fiscus (belastingdienst van de overheid)

De BTW is een indirecte belasting (doorgeefluik) voor het bedrijf aan de
fiscus. De BTW valt daarom niet onder de kosten en heeft geen invloed
op de winst of verlies van een bedrijf.  

Slide 20 - Slide

Belasting Toegevoegde Waarde
Er zijn 3 BTW-tarieven:
  • vrijgesteld 🡪 0% zoals onderwijs
  • lage tarief 🡪 9% voor basisbehoeften zoals eten en boeken
  • algemene tarief (of hoge tarief) 🡪 21% voor secundaire behoeften

Slide 21 - Slide

Berekenen


Als je een product of dienst koopt in de winkel, dan staat er op de kassabon een bedrag aan BTW bij. Deze BTW gaat naar de belastingdienst (overheid).

  • verkoopprijs inclusief BTW = consumentenprijs die de klant betaalt
  • verkoopprijs exclusief BTW = omzet die de winkelier maakt
  • BTW = belasting die de winkelier aan de belastingdienst (overheid) moet betalen, dit is dus geen omzet of winst voor de winkelier.


Slide 22 - Slide

Berekenen




Stel je weet alleen de verkoopprijs exclusief BTW. Hoe bereken je dan:
1. de BTW?
  • BTW = (€ 58,92 / 100) * 21 = € 12,37
2. de verkoopprijs inclusief BTW?
  • verkoopprijs inclusief BTW =  (€ 58,92 / 100) * 121 = € 71,29
  • of verkoopprijs inclusief BTW = € 58,92 + € 12,37 = € 71,29 
Verkoopprijs exclusief BTW
100%
€ 58,92
BTW
21%
Verkoopprijs inclusief BTW
121%

Slide 23 - Slide

Berekenen




Stel je weet alleen de verkoopprijs inclusief BTW. Hoe bereken je dan:
1. de verkoopprijs exclusief BTW?
  • verkoopprijs exclusief BTW = (€ 71,29 / 121) * 100 = € 58,92
2. de BTW?
  • BTW = (€ 71,29 / 121) * 21 = € 12,37
  • of BTW = € 71,29 - € 58,92 = € 12,37
Verkoopprijs exclusief BTW
100%
BTW
21%
Verkoopprijs inclusief BTW
121%
€ 71,29

Slide 24 - Slide

Berekenen




Stel je weet alleen de BTW. Hoe bereken je dan:
1. de verkoopprijs exclusief BTW?
  • verkoopprijs exclusief BTW = (€ 12,37 / 21) * 100 = € 58,92
2. de verkoopprijs inclusief BTW?
  • verkoopprijs inclusief BTW =  (€ 12,37 / 21) * 121 = € 71,29
  • of verkoopprijs inclusief BTW = € 58,29 + € 12,37 = € 71,29
Verkoopprijs exclusief BTW
100%
BTW
21%
€ 12,37
Verkoopprijs inclusief BTW
121%

Slide 25 - Slide

Op de balans
Te betalen BTW (ontvangen BTW  over de verkoop) = schuld = credit op de balans
  • over vrijwel alle goederen / diensten die jij als bedrijf verkoopt, moet je BTW berekenen
  • deze ontvangen BTW moet hij betalen aan de fiscus (belastingdienst van de overheid)
 
Te vorderen BTW (betaalde BTW over de inkoop) = bezitting = debet op de balans
  • als jij als bedrijf zelf goederen / diensten koopt, moet je BTW aan de leverancier betalen
  • deze betaalde BTW kan hij terug vorderen van de fiscus

Af te dragen BTW (ontvangen BTW - betaalde BTW)
  • het saldo ontvangen BTW en betaalde BTW moet het bedrijf maandelijks of per kwartaal aan de de fiscus afdragen (of terug ontvangen)

Slide 26 - Slide

Af te dragen BTW
Hoeveel BTW moet een bedrijf betalen / ontvangen van de fiscus?
 - Henk heeft een meubelzaak
 - hij heeft een kast ingekocht voor € 1.815 inclusief BTW
 - hij verkoopt de kast aan een consument voor € 2.000 exclusief BTW

Bereken de af te dragen (of terug te ontvangen) BTW 
  • de BTW op meubels is 21%
  • betaalde BTW over de inkoop = € 1.815 (inclusief BTW) / 121 x 21 = € 315
  • ontvangen BTW over de verkoop = € 2.000 (exclusief BTW) / 100 x 21 = € 420
  • af te dragen BTW = € 420 - € 315 = € 105 af te dragen aan de fiscus

Prijs excl. BTW
100%
BTW
   21%
Prijs incl. BTW
 121%

Slide 27 - Slide

Op de balans
Je koopt voor € 1.815 inclusief BTW een meubel in.
Dan krijgt je 3 balansposten:
  • bank                                                                          - € 1.815 (debet)
  • voorraad (tegen inkoopprijs)                        + € 1.500 (debet)
  • te vorderen BTW                                                 + € 315 (debet)

Je verkoopt het meubel voor € 2.000 exclusief BTW. Dan krijg te 4 balansposten:
  • bank                                                                         + € 2.420 (debet)
  • voorraad (tegen inkoopprijs)                       - € 1.500 (debet)
  • te betalen BTW                                                   + € 420 (credit)
  • eigen vermogen (winst exclusief BTW!) + € 500 (credit)

Slide 28 - Slide

Magister (ELO bronnen)






Al jullie lesmateriaal economie staat online op:

Slide 29 - Slide

Begrippenzoeker (LWEO)





De uitleg van alle begrippen staan online op:

Slide 30 - Slide

Proefwerk
Wat: Financiële Zelfredzaamheid hoofdstuk 5 t/m 7
          Bedrijf Starten hoofdstuk 1 t/m 2
Wanneer: maandag 13 april 2026 om 8:30 uur (papier) 
Inhoud: 16 open vragen (30 punten)
Opgaven (onderwerpen):
  1. sparen (eindwaarde en contante waarde berekenen)
  2. beleggen (aandelen, obligaties en beurskoers berekenen)
  3. samenleven
  4. loondienst of zelfstandig ondernemerschap
  5. balans opstellen 
  6. BTW (te betalen, terug te vorderen en af te dragen BTW berekenen)

Slide 31 - Slide