Je gebruikt de present perfect om te praten over iets dat
in het verleden is begonnen en nu nog steeds belangrijk is, of wanneer het resultaat in het heden zichtbaar is.
De vorm is:
have/has + past participle (voltooid deelwoord)
Voorbeelden:
- I have visited London twice.
- She has just finished her homework.
- We have never seen a real castle.
Woorden die vaak bij de present perfect horen: ever, never, just, already, yet, since, for, recently, so far.