le 23 à 27 février 2026

1 / 48
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Klassenregels
We werken rustig samen in de klas.
We respecteren elkaar. We lachen elkaar niet uit en respecteren elkaars mening en antwoorden.
Tijdens het maken van de opdrachten zijn we rustig bezig en gaan we niet kletsen met klasgenoten.
We doen actief mee met de les, we leggen de telefoons dan ook weg.
We overleggen zachtjes binnen de MC als we een vraag hebben.
We steken onze vinger op als we iets willen zeggen en/of vragen.
We geven het aan onze docente aan wanneer ons iets dwars zit.
We laten elkaar uitpraten.
We eten en drinken niet in het klaslokaal.
We letten op in de les.
Tijdens het zelfstandig werken mag je oortjes in of een koptelefoon op

Slide 2 - Slide

Lesinhoud:
  1. Mr Bean in een Frans restaurant
  2. Kort gesprekje in het Frans over wat je wel/niet lekker vindt om te eten en/of te drinken
  3. Kookvideo bekijken + vragen in Lesson Up beantwoorden
  4. Start uitleg kookvideo
  5. Uitleg woordvolgorde
  6. Uitleg impératif
Huiswerk:
Geen





Lesdoelen:
  • Ik kan vertellen wat ik wel/niet lekker vind om te eten/te drinken.
  • Ik kan een kookvideo over het maken van een Quiche Lorraine begrijpen
  • Ik weet  wat me te wachten staat met de opdracht ''kookvideo''
  • Ik kan zinnen in de juiste volgorde maken in het Frans
  • Ik kan zinnen maken in de gebiedende wijs in het Frans
 

 

 


Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Maak een groepje van 2 à 3 personen binnen je MC. 
Ga in gesprek over het onderwerp:
- Vertel wat je wel en wat je niet lekker vindt aan elkaar. Gebruik het plaatje rechts om je te helpen met vocabulaire en de vragen die je elkaar stelt
Qu'est-ce que tu aimes boire/manger?
Qu'est-ce que tu détestes boire/manger?

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

La quiche lorraine

Slide 7 - Slide

Écoutez et regardez
Je gaat kijken naar een filmpje van Chef Pierre. 
Hij gaat uitleggen hoe je een quiche Lorraine maakt. 

Noteer: 
  • de ingrediënten in het Frans
  • de temperatuur van de oven
  • hoe lang in de oven

Slide 8 - Slide

13

Slide 9 - Video

Uit welke streek komt de quiche lorraine?
A
Zuid
B
Noord
C
Noordwesten
D
Noordoosten

Slide 10 - Quiz

Que veut dire "crème fraîche"?

Slide 11 - Open question

Que veut dire "pâte brisée"?

Slide 12 - Open question

Que veut dire "un sachet de fromage rapé"?

Slide 13 - Open question

Que veut dire "lardons"?

Slide 14 - Open question

Que veut dire "oeufs"?

Slide 15 - Open question

In welke seizoen kan je het beste een quiche lorraine eten?
A
lente
B
zomer
C
herfst
D
winter

Slide 16 - Quiz

Wat is volgens Pierre de bereidingstijd van een quiche lorraine?
A
2 minuten
B
5 minuten
C
7 minuten
D
10 minuten

Slide 17 - Quiz

Op hoeveel graden moet de oven aan?
A
100
B
160
C
200
D
220

Slide 18 - Quiz

Hoe lang moet de quiche lorraine in de oven?
A
35 minuten
B
45 minuten
C
55 minuten
D
65 minuten

Slide 19 - Quiz

Wat kan je bij een quiche lorraine bij eten?

Slide 20 - Open question

"A table!" betekent:

Slide 21 - Open question

Deadlines en belangrijke informatie
De video lever je NIET in via YouTube, maar via een linkje vanuit Microsoft Stream (uitlegvideo over hoe dit moet wordt door Moniek op Itslearning gezet)
Vrijdag 13 maart om 16:59: eerste versie script inleveren
vrijdag 20 maart om 16:59: tweede versie script inleveren
dinsdag 24, woensdag 25 , donderdag 26 of vrijdag 27 maart: Filmen kookvideo tijdens de les MITS goedkeuring van de docent
 vrijdag 3 april om 16:59: kookvideo inleveren

Slide 22 - Slide

§13 Standaard zinsvolgorde 
Bepalingen van tijd/plaats - onderwerp - ww gezegde - lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp - bepalingen van plaats/tijd

Voorbeelden
 Hier     ma soeur    a écrit      une lettre      à ma mère 
 Demain    je      vais faire    mes devoirs      à l'école

Slide 23 - Slide

Alle werkwoorden staan altijd bij elkaar
Voorbeelden:
- Nous sommes en vacances en France.
- Nous sommes allés en vacances en France.
- Nous allons aller en vacances en France.
- Nous irons en vacances en France
- Nous avons voulu aller en vacances en France ?

Slide 24 - Slide


1. De bepaling van tijd staat in het Frans meestal aan het begin
 ( en anders aan het einde van de zin.)
   Après, on va manger ensemble.                          Daarna gaan we samen eten.

2. De bepaling van plaats staat in het Frans meestal aan einde van de zin.
    On va manger ensemble au restaurant.           We gaan samen eten in het restaurant.

3.  Als je een tijd- en een plaatsbepaling in één zin hebt:
-    eerst de tijd (vooraan) en dan de plaats (achteraan).
     Cet après-midi, je vais jouer de la guitare dans ma chambre.
     (ik ga vanmiddag gitaar spelen in mijn kamer)

((-  Je zet ze beide achteraan met eerst de plaats en dan de tijd
    Je vais jouer de la guitare dans ma chambre cet après-midi.))


Woordvolgorde: bepalingen van tijd en plaats

Slide 25 - Slide

Zet de zinsdelen in de goede volgorde:
ma mère-je- ce samedi- vais - à Utrecht- faire du shopping- avec-

Slide 26 - Open question

Zet de zinsdelen in de goede volgorde:
acheté-dans la ville- le dimanche dernier- elle - un cadeau- a- pour son amie.

Slide 27 - Open question

Woordvolgorde Frans: ontkennende zin

De ontkenning staat alijd om het eerste ww heen!



1. Vanavond, heeft Eva geen cadeau aan haar broer gegeven
    Ce soir, Eva  n' a pas donné un cadeau à son frère.

2. ik ga morgen geen jurk kopen
    Je ne  vais pas acheter de robe demain.

3.  Ik zal volgende week niet naar school kunnen gaan
      La semaine prochaine je ne pourrai pas aller à l'école


Slide 28 - Slide

NE ...persoonsvorm... PAS/PLUS/RIEN
voorbeelden:
Je ne veux pas aller en France.   (gezegde = veux aller)
Tu n'es plus allé en vacances en France.  (gezegde = es allé)
Elle n'a jamais été en France.             (gezegde = a été)
Nous n'avons rien pu faire en France. (gezegde = avons pu faire)

Slide 29 - Slide

Zet de zinsdelen in de goede volgorde:
parlé-ils- n'- depuis deux semaines - ont- à leurs parents.

Slide 30 - Open question

Zet de zinsdelen in de goede volgorde:
donner-nous- allons- pas- notre code WIFI - à nos cousins- n'.

Slide 31 - Open question

Wat is de impératif?
De impératif  is de gebiedende wijs. 
Je gebruikt deze werkwoordsvorm als je kort en duidelijk 
een opdracht of aanwijzing geeft.
 

Slide 32 - Slide

Bron C: Impératif
1 persoon die je met jij aanspreekt: 
Je-vorm
- Arrête Julien!
- Stop Julien!



Slide 33 - Slide

impératif
Tegen 1 persoon waar je u  tegen zegt.
Tegen meerdere personen.

vous-vorm van het werkwoord zonder vous 

vous parlez  -> parlez !


Slide 34 - Slide

Impératif; 

Heeft maar 3 vormen; 
tegen 1 persoon; Parle! Spreek!
tegen meerdere personen; Parlez! 
Voorstel, laten we... Parlons!

Slide 35 - Slide

Impératif
Er zijn drie vormen:

  • Enkelvoud: Ferme la fenêtre! 
                                
  • Meervoud: Fermez les livres!

  • Meervoud: Fermons la porte!


Slide 36 - Slide

L'impératif
Je gebruikt de impératif als je opdrachten of aanwijzingen geeft. In het Nederlands wordt dat de gebiedende wijs genoemd. 
Jij hebt 3 opties: 

Je richt je tot één persoon.
Visite! (Bezoek!)
Je gebruikt de je-vorm van de tegenwoordige tijd. Je wordt weggelaten. 
Je richt je tot jezelf en tot andere personen.
Visitons! (Laten we bezoeken!)

*uitnodiging / advies
Je gebruikt de nous-vorm van de tegenwoordige tijd. Nous wordt weggelaten. 
Je richt je tot meer personen of tot een 'u'.
Visitez! (Bezoek!) 
Je gebruikt de vous-vorm van de tegenwoordige tijd. Vous wordt weggelaten

Slide 37 - Slide

IMPÉRATIF REGELMATIGE WW

  • manger (nager, voyager):         mange - mangeons - mangez   
  • attendre (perdre, entendre,  descendre, vendre) :                               attends - attendons - attendez
  • choisir (réfléchir, rougir, ralentir,   réussir, finir, grandir)                             choisis - choisissons - choisissez 
IMPÉRATIF ONREGELMATIGE WW

  • prendre (comprendre, appren-     dre):  prends - prenons - prenez
  • venir: viens - venons - venez
  • partir (sortir, dormir, sentir):         pars - partons - partez
  • faire: fais- faisons-faites
  • être: sois - soyons - soyez
  • avoir: aie - ayons - ayez
  • aller: va - allons - allez

Slide 38 - Slide

Impératif - (vous) être

Slide 39 - Open question

Zet het werkwoord in de impératif:
Madame, (tourner) ...... à gauche

Slide 40 - Open question

Schrijf de impératif op (zonder uitroepteken):
Laten we kijken! (tegen elkaar)

Slide 41 - Open question

Geef de impératif van het volgende werkwoord:
aller (jouw broertje)

Slide 42 - Open question

Impératif -travailler

Slide 43 - Open question

Maak zelf de impératif : (van het werkwoord JOUER) tegen een persoon die je met JIJ aanspreekt

Slide 44 - Open question

Maak zelf de impératif : Praat (tegen een persoon die je met u aanspreekt

Slide 45 - Open question

zet de ww. die tussen haakjes staan in de impératif:
1. Madame, (monter) ..................au deuxième étage.
2. Omar et Nadia ( raconter) ...........cette histoire.
3. Lisa ( aller) ...........vite!

Slide 46 - Open question

Impératif

Slide 47 - Slide

Exit-ticket
1
Snijd de plakken kaas. Besmeer 1 kant van elk sneetje (plakje) brood met een 1⁄2 tl mosterd en voeg een plak kaas toe. Leg op de helft van de sneetjes brood 1 plak ham en leg er vervolgens een sneetje brood met kaas op. Druk licht aan. Besmeer de buitenkant van de tosti’s met de helft van de boter.
2
Verhit een hapjespan. Bak de tosti’s per 2 in 8 min. draai na 4 minuten om. Houd warm onder aluminiumfolie. Verhit ondertussen de rest van de boter in een grote pan en bak spiegeleieren.
3
Leg de tosti’s op de borden en leg het ei erop neer. 
Je gaat een recept vertalen naar het Frans. Zet de volgende stappen die hier in het Nederlands staan naar het Frans. Denk aan de uitgelegde woordvolgorde en de impératif.


snijden = couper
plakken = tranches
besmeren= tartiner
1 kant = 1 côté
elk = chaque
1/2 cuillère à café de = 1/2 tl van
mosterd=  moutarde
toevoegen = ajouter
ham = jambon
neerleggen = placer par-dessus
licht aandrukken = appuyer légèrement
Besmeer de buitenkant van de tosti’s met de helft van de boter= Étalez la moitié du beurre sur l’extérieur des sandwichs.
verhit een (hapjes)pan = faites chauffer une poêle
bak de tosti's per twee= faites cuire les sandwichs par 2
draaien = tourner
warmhouden = garder chaud 
ei(eren) = oeuf(s)
borden = assiettes
erop leggen = déposer


Slide 48 - Slide