De baby: voor en na de geboorte

De baby: voor en na de geboorte

1 / 37
next
Slide 1: Slide
New lesson editorPedagogisch handelenSecundair onderwijsBeroepssecundair onderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

De baby: voor en na de geboorte

Deze les vertrekt vanuit wat leerlingen al kennen uit 3 Zorg en Welzijn en bouwt eenvoudig verder op de fysieke ontwikkeling van een baby voor en na de geboorte.

Lesdoel

Ik kan de fysieke ontwikkeling van een baby voor en na de geboorte eenvoudig uitleggen.

This item has no instructions

Welk woord past voor jou bij de ontwikkeling van een baby?

Gebruik de antwoorden om voorkennis te activeren. Pik enkele woorden eruit, zoals groei, baby, buik, geboorte, reflexen of zintuigen, en leg de link met het lesdoel.

Prenataal en postnataal

  • Prenataal betekent: voor de geboorte.

  • Postnataal betekent: na de geboorte.

  • Een baby maakt dus al een hele ontwikkeling door voor hij geboren wordt.

  • Ook na de geboorte groeit en ontwikkelt de baby verder.

Leg kort het voorvoegsel uit: pre = voor, post = na, nataal = geboorte. Zo kunnen leerlingen de woorden beter onthouden.

Drie fasen van de zwangerschap

  • De zwangerschap wordt verdeeld in drie grote fasen.

  • Week 1–4: germinale fase

  • Week 5–10: embryonale fase

  • Week 11–40: foetale fase

Houd het overzichtelijk: leerlingen moeten vooral de volgorde, benaming en grote lijn kennen.

De germinale fase

  • Deze fase loopt van week 1 tot week 4.

  • De bevruchte eicel heet een zygote.

  • De zygote begint zich te delen.

  • Ze gaat zich ook innestelen in de baarmoeder.

Je kunt vermelden dat dit de allereerste start van het nieuwe leven is.

Wat ontstaat in het begin?

  • De placenta of moederkoek wordt gevormd.

  • De navelstreng verbindt het kind met de moeder.

  • De vruchtzak beschermt het kind.

  • Deze structuren zijn belangrijk voor bescherming en groei.

Laat leerlingen de functies eenvoudig koppelen: placenta = uitwisseling, navelstreng = verbinding, vruchtzak = bescherming.

De embryonale fase

  • Deze fase loopt van week 5 tot week 10.

  • In deze periode wordt de aanleg van de grote organen gevormd.

  • Dit is dus een heel belangrijke ontwikkelingsfase.

Benadruk dat 'aanleg' betekent dat de basis wordt gevormd, niet dat alles al volledig af is.

In welke fase nestelt de zygote zich in de baarmoeder?

A

foetale fase

B

embryonale fase

C

germinale fase

D

postnatale fase

Toetst of leerlingen de eerste zwangerschapsfase kunnen koppelen aan zygote, celdeling en innesteling.

Vul de juiste woorden in

Voor de geboorte spreken we over de prenatale periode. In de germinale fase ontstaat de zygote en begint ze zich te delen. In het begin worden ook de placenta en de navelstreng gevormd. Daarna volgt de embryonale fase, waarin de aanleg van grote organen start.

prenatale
germinale fase
placenta
embryonale fase
postnatale
foetale fase
vruchtzak
reflexen

De lege woorden komen uit slides 2 t.e.m. 6. Let op het verschil tussen prenataal en postnataal, en tussen germinale en embryonale fase.

Wat wordt aangelegd?

  • skelet

  • spierstelsel

  • hart

  • bloedsomloop

  • geslachtsorganen

  • huid

  • haar

  • tanden

  • zintuigen

  • hersenen en ruggenmerg

Verder nog

Lichaam

This item has no instructions

De foetale fase

  • Deze fase loopt van week 11 tot week 40.

  • De baby groeit verder en ontwikkelt zich verder.

  • Lengte en gewicht nemen toe.

  • De kans op een miskraam neemt af.

Maak duidelijk dat de foetale fase vooral in het teken staat van verdere uitgroei en rijping.

Van klein begin naar baby

  • In het begin lijkt het kindje nog helemaal niet op een baby.

  • Stap voor stap worden oogjes, neus, mond, haartjes en nageltjes zichtbaar.

  • Op het einde van de zwangerschap is de baby klaar voor de geboorte en moet hij vooral nog groeien.

Sluit dit deel af met de grote lijn: eerst ontstaan basisstructuren, daarna volgt verdere groei en voorbereiding op de geboorte.

Wat is typisch voor de foetale fase?

A

innesteling start

B

organen ontstaan

C

lengte neemt toe

D

reflexen testen

De distractors verwijzen naar andere lesdelen: innesteling hoort bij de germinale fase, aanleg van organen bij de embryonale fase, reflexen bij na de geboorte.

Hoe verandert het kindje in de foetale fase?

Verwacht elementen zoals: eerst ontstaan basisstructuren, daarna groeien lengte en gewicht, op het einde is de baby klaar voor de geboorte. Laat leerlingen antwoorden in eenvoudige woorden.

Na de geboorte

  • Na de geboorte spreken we over de postnatale periode.

  • De fysieke ontwikkeling van een baby gaat dan verder op verschillende domeinen.

  • We bekijken vooral:

- lichamelijke ontwikkeling

- motorische ontwikkeling

- sensorische ontwikkeling

- slaap

Gebruik hier de brug naar de volgende slides: wat in de buik begon, ontwikkelt zich na de geboorte verder.

Typische geboortekenmerken

Bij een pasgeboren baby zie je vaak kenmerken door de bevalling:

  • boksersneusje

  • gezwollen ogen

  • slijmerig huidje

  • rimpels

  • punthoofdje

Leg geruststellend uit dat deze kenmerken normaal zijn en meestal tijdelijk.

Wat betekent postnataal?

A

na de geboorte

B

voor de geboorte

C

tijdens de bevalling

D

bij de bevruchting

Eenvoudige begripscontrole als brug naar het deel over ontwikkeling na de geboorte.

Welk geboortekenmerk kende je al?

1

boksersneusje

2

punthoofdje

3

gezwollen ogen

4

slijmerig huidje

This item has no instructions

Motoriek start met reflexen

  • In het begin verloopt de motoriek van een baby vooral reflexmatig.

  • Reflexen worden al vanaf de geboorte getest.

  • Een goede reflexintegratie helpt bij een goede motorische ontwikkeling.

  • Later veranderen bewegingen van ongecontroleerd naar gecontroleerd.

Reflexintegratie kun je eenvoudig omschrijven als: de baby leert zijn reflexen goed gebruiken en nadien groeien er bewustere bewegingen uit.

Soorten reflexen

Voorbeelden

  • overlevingsreflexen

  • overgangsreflexen

  • blijvende reflexen

  • zuigreflex

  • zoekreflex

  • schrikreflex

  • knipperreflex

  • stapreflex

Belangrijkste groepen

Je hoeft niet alle reflexen diep uit te werken. De leerlingen moeten vooral weten dat reflexen bescherming, voeding en voorbereiding op bewegen ondersteunen.

Waarvoor dienen reflexen?

  • Sommige reflexen zorgen voor bescherming.

  • Andere reflexen helpen bij de inname van voedsel.

  • Sommige reflexen zijn een voorbereiding op voortbewegen.

  • Reflexen hebben dus een duidelijke functie in de ontwikkeling van de baby.

Voorbeelden: knipperreflex beschermt de ogen, zuigreflex helpt bij drinken, stapreflex bereidt beweging voor.

Grove en fijne motoriek

  • De grofmotorische ontwikkeling verloopt van boven naar beneden:

hoofd → nek → rug → benen.

  • De fijne motoriek ontwikkelt van binnen naar buiten.

  • Eerst beweegt de baby met de volledige arm.

  • Later krijgt hij controle over onderarm, pols en vingers.

Verbind dit met concrete voorbeelden: eerst hoofdje optillen, later grijpen met meer controle.

Vijf motorische fasen

  • kijkstadium: 0–3 maanden

  • grijpstadium: 3–6 maanden

  • zitstadium: 6–9 maanden

  • kruipstadium: 9–12 maanden

  • loopstadium: 12–15 maanden

Benadruk dat dit grote richtlijnen zijn. Niet elke baby ontwikkelt exact op hetzelfde tempo.

Welke reflex helpt een baby vooral bij drinken?

A

knipperreflex

B

stapreflex

C

schrikreflex

D

zuigreflex

Toetst de functie van reflexen: voeding, bescherming en voorbereiding op bewegen.

Vul de juiste woorden in

Bij een baby start de motoriek vaak met reflexen. Later veranderen bewegingen van ongecontroleerd naar gecontroleerd. De grofmotorische ontwikkeling verloopt van boven naar beneden. Bij fijne motoriek krijgt de baby later meer controle over pols en vingers.

reflexen
gecontroleerd
boven
vingers
zintuigen
plots
binnen
benen

De woorden sluiten aan bij slides 12 t.e.m. 16 over reflexen en motorische ontwikkeling.

Sensorische ontwikkeling

  • De basis van de zintuigen wordt al tijdens de zwangerschap gelegd.

  • Na de geboorte werken zintuigen en hersenen steeds beter samen.

  • De baby reageert op allerlei prikkels uit de omgeving.

Sensorisch = via de zintuigen. Koppel dit woord telkens aan zien, horen, voelen, ruiken en proeven.

Wat kan een baby waarnemen?

  • zien: licht en donker, kleurcontrasten

  • horen: stemmen, hartslag van mama

  • voelen: aanraking

  • proeven: voorkeur voor zoet

  • ruiken: geur van mama

Voorbeelden

Reacties op prikkels

  • Sommige prikkels kalmeren de baby.

  • Bijvoorbeeld: de stem of geur van de moeder.

  • Andere prikkels maken de baby bang.

  • Bijvoorbeeld: plotse of luide geluiden.

This item has no instructions

Slaap is een basisbehoefte

  • Slaap is voor een baby heel belangrijk.

  • Het lichaam, de hersenen en het immuunsysteem hebben rust nodig.

  • Wat de baby wakker ontdekt, moet hij tijdens de slaap verwerken.

  • Slaap is dus noodzakelijk voor een goede ontwikkeling.

Verwijs naar de bekende uitspraak 'slaap je groot' en leg uit dat daar een kern van waarheid in zit.

Waarom helpt slaap bij groeien?

  • Tijdens de slaap verwerkt de baby wat er overdag gebeurde.

  • Slaap stimuleert het groei- en ontwikkelingsproces.

  • Tijdens de rustige slaap is de aanmaak van groeihormoon optimaal.

  • De remslaap is belangrijk voor de ontwikkeling van de hersenen.

Je kunt kort uitleggen dat ook volwassenen slaap nodig hebben, maar dat het bij baby's nog belangrijker is door hun snelle ontwikkeling.

Welke prikkel kan een baby kalmeren?

A

luide knal

B

plotse beweging

C

geur van mama

D

fel lawaai

Controle van sensorische ontwikkeling: sommige prikkels kalmeren, andere maken bang.

Vul de juiste woorden in

De basis van de zintuigen wordt al tijdens de zwangerschap gelegd. Na de geboorte reageert de baby op prikkels uit de omgeving. Slaap is belangrijk, omdat de baby dan ervaringen kan verwerken. Tijdens rustige slaap is de aanmaak van groeihormoon optimaal.

zwangerschap
prikkels
verwerken
groeihormoon
bevalling
reflexen
grijpen
bloedsomloop

Verbindt de laatste twee subthema's: sensorische ontwikkeling en slaap.

Wat heb jij vandaag het best onthouden?

Laat leerlingen één duidelijk inzicht noteren, bijvoorbeeld over prenataal/postnataal, de fasen van de zwangerschap, reflexen, zintuigen of slaap.

Welk deel vond je het moeilijkst?

Gebruik dit als korte evaluatie van het leerproces. Mogelijke antwoorden: moeilijke woorden, fasen uit elkaar houden, reflexen, motorische ontwikkeling, sensorische prikkels.

Hoe zeker voel jij je nu over deze les?

This item has no instructions

Begrippenlijst

prenataal - voor de geboorte

postnataal - na de geboorte

germinale fase - eerste fase van de zwangerschap, van week 1 tot 4

embryonale fase - fase van week 5 tot 10 waarin de aanleg van organen ontstaat

foetale fase - fase van week 11 tot 40 waarin de baby verder groeit

zygote - bevruchte eicel

placenta - moederkoek die mee zorgt voor uitwisseling tussen moeder en kind

This item has no instructions

Begrippenlijst

navelstreng - verbinding tussen de baby en de moeder

vruchtzak - zak die de baby beschermt

reflex - automatische reactie van een baby

grofmotoriek - grote bewegingen van hoofd, romp, armen en benen

fijne motoriek - kleine, precieze bewegingen van handen en vingers

sensorische ontwikkeling - ontwikkeling van de zintuigen en het reageren op prikkels

prikkel - wat de baby ziet, hoort, voelt, ruikt of proeft

This item has no instructions