Regel 1: De persoonsvorm staat aan het einde van de bijzin.
Vb. 1: Ich weiß natürlich, dass sie nicht kommen darf.
Regel 2: Bij samengestelde werkwoorden staat de PV altijd vooraan en het splitsbare deel altijd achteraan.
Vb. 2: Ich gehe gerne mit meinen Freunden aus.
Regel 3: Het gezegde staat altijd achteraan, de PV staat vooraan. Als er meerdere werkwoorden bij het gezegde horen, staat het hulpwerkwoord altijd achteraan.
Vb. 3: Er hat damit wegen seiner Gesundheit aufgehört.
Vb. 4: Ich habe es noch nicht zahlen können.