HAVO 3 par 5.2 waar haal je het geld vandaan

Paragraaf 5.2
Waar haal je het geld vandaan?
1 / 36
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Paragraaf 5.2
Waar haal je het geld vandaan?

Slide 1 - Slide

samenvatting 5.1
  • wat zijn bezittingen van een bedrijf
  • hoe noem je de bezittingen ook wel
  • wat is een balans
  • in welke drie hoofdstukken zijn de bezittingen verdeeld

Slide 2 - Slide

Lesdoel deze les
  • wat is de passiva van een bedrijf
  • wat is eigen vermogen
  • wat is vreemd vermogen
  • hoe kan je berekenen of een bedrijf financieel gezond is

Slide 3 - Slide

Lesdoel 
  • wat is de passiva van een bedrijf

Slide 4 - Slide

Passiva van het bedrijf
De rechterzijde van de balans heet creditzijde ,
hier staat hoe je aan het geld bent gekomen om de bezittingen mee te betalen.

De schulden worden de passiva genoemd. (passief)

Slide 5 - Slide

Creditzijde=Passiva=Schulden
Creditzijde bestaat uit Eigen vermogen en Vreemd vermogen

Eigen vermogen = het geld dat de ondernemer zelf in het eigen bedrijf stopt

Vreemd vermogen =  het geld dat de ondernemer ergens anders leent (bank, familie, gemeente enz.)

Slide 6 - Slide

Lesdoel 
  • wat is eigen vermogen

Slide 7 - Slide

Eigen Vermogen
  • eigen geld van eigenaren
  • eigen vermogen zit permanent (altijd) in het bedrijf


Dit geld heeft de eigenaar "geleend" aan het bedrijf!

Slide 8 - Slide

Lesdoel 
  • wat is vreemd vermogen

Slide 9 - Slide

Vreemd Vermogen
Als het geld van de eigenaar niet voldoende is om het bedrijf te starten dan moet er geld bij anderen (vreemden) geleend worden

vreemd vermogen

Slide 10 - Slide

Lang vreemd vermogen
Langlopend vreemd vermogen: Lening die je langer dan een jaar terug betaald.   

Bijvoorbeeld een hypotheek  voor het bedrijfspand of een onderhandse lening ( = lening van familie of vrienden).

Slide 11 - Slide

Kort vreemd vermogen
Kortlopend vreemd vermogen: Leningen die je binnen een jaar moet terug betalen.

Bijvoorbeeld:  crediteuren (= bedrijven die jij nog moet betalen), een belastingschuld of een tekort op de bankrekening (rekening courant).

Slide 12 - Slide

Lesdoel 

  • hoe kan je berekenen of een bedrijf financieel gezond is

Slide 13 - Slide

Gezond bedrijf
Hoe meer je leent, hoe meer je moet terugbetalen, hoe meer rente je moet betalen.....

Solvabiliteit = de verhouding tussen Eigen vermogen en Vreemd Vermogen
Solvabiliteit =      Eigen vermogen      x 100 %
                                  Totaal vermogen 
                                                                                

Gezond = meer dan 50%

Slide 14 - Slide

Aan de slag
  • Maak uit je boek vanaf bladzijde 132 vraag 11 t/m 21
  • Maak daarna  de lesson up vragen op je laptop

Slide 15 - Slide

Oefenen
Maak de lesson up vragen, pak je boek erbij, paragraaf 5.2. Zoek in je boek op wat je niet meteen uit je hoofd weet

Slide 16 - Slide

Een balans heeft twee kanten. Hoe noemen we de rechterzijde?
A
Debetzijde
B
Vreemd vermogen
C
Creditzijde
D
Activa

Slide 17 - Quiz

Wat hoort niet bij de creditzijde?
A
Eigen vermogen
B
Lang vreemd vermogen
C
Kort vreemd vermogen
D
Liquide middelen

Slide 18 - Quiz

Aan welke zijde staan de crediteuren
A
Debetzijde
B
creditzijde

Slide 19 - Quiz

Het eigen vermogen staat op de ...........
A
debetzijde van de balans
B
winst - verlies rekening aan de creditzijde
C
winst - verlies rekening aan de debetzijde
D
creditzijde van de balans

Slide 20 - Quiz

Waar staat de financiering op de balans? 2 antwoorden zijn goed. Je hoeft er maar 1 te kiezen
A
Debetzijde
B
Creditzijde
C
Activa kant
D
Passiva kant

Slide 21 - Quiz

Welke stelling klopt niet ?
Een balans...
A
is altijd in evenwicht
B
is een momentopname
C
heeft een debetzijde en een creditzijde
D
wordt altijd opgemaakt op 31 december

Slide 22 - Quiz

Welke stelling over het Eigen Vermogen is juist ?
A
is altijd positief
B
staat aan de debetzijde van de balans
C
bezittingen min de schulden
D
wijzigt niet

Slide 23 - Quiz

Als een bedrijf eigen vermogen heeft van € 3000 en een totaal vermogen van € 16500 euro. Wat is solvabiliteit?
A
18,2%
B
5,5%
C
0,2%
D
12,8%

Slide 24 - Quiz

Wat is het eigen vermogen
A
Geld dat een ondernemer zelf in het bedrijf stopt
B
Geld dat een ondernemer leent
C
Inkomen
D
Een hypotheek

Slide 25 - Quiz

Geld wat je geleend hebt, staat onder eigen vermogen
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quiz

Het eigen vermogen bereken je door de het vreemd vermogen van het totale vermogen af te trekken
A
juist
B
onjuist

Slide 27 - Quiz

Hoe hoger het eigen vermogen hoe gezonder het bedrijf is
A
waar
B
niet waar

Slide 28 - Quiz

2. Kasgeld is onderdeel van het eigen vermogen. Het is immers van de eigenaar.
A
juist
B
onjuist

Slide 29 - Quiz

Vaste activa = 30.000
Vlottende activa = 15.000
Hypotheek lening = 23.000
Berekenen het Eigen Vermogen
A
23.000
B
45.000
C
22.000
D
68.000

Slide 30 - Quiz

Wat is solvabiliteit?
A
Een lening van familie of vrienden.
B
Het verschil tussen activa en passiva
C
Een lening van de bank waarbij de bank een onroerend goed als onderpand vraagt.
D
De verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen van een onderneming.

Slide 31 - Quiz

De formule voor het berekenen van de solvabiliteit is
A
eigen vermogen / vreemd vermogen x 100
B
eigen vermogen / totaal vermogen x 100
C
totaal vermogen / vreemd vermogen x 100
D
vreemd vermogen / totaal vermogen x 100

Slide 32 - Quiz

De solvabiliteit is voldoende als het hoger is dan
A
25
B
35
C
40
D
50

Slide 33 - Quiz

Na een solvabiliteitsberekening is de uitkomst 47%. Wel of niet solvabel?
A
wel
B
niet

Slide 34 - Quiz

Wie is er niet heel erg geïnteresseerd in de liquiditeit en solvabiliteit van een onderneming?
A
Bank
B
Verhuurder
C
Debiteur
D
Crediteur

Slide 35 - Quiz

Wat is de
solvabiliteit van dit
bedrijf?
A
60%
B
37,5%
C
62,5%
D
50%

Slide 36 - Quiz