GT2 Les 1: Consumeren is Kiezen

Inloop
-Ga op je eigen plek zitten (plattegrond)
-Pak je pen, schrift en boek/laptop



1 / 20
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Inloop
-Ga op je eigen plek zitten (plattegrond)
-Pak je pen, schrift en boek/laptop



Slide 1 - Slide

Les 1
Consumeren is kiezen

Slide 2 - Slide

Lesplanning
Leerdoel: 
Terugblik:                                                                      (0min)
Voorkennis:                                                                  (10min)
Instructie: Consumeren is kiezen                      (10min)
Begeleid inoefenen: Vraag 6                                (5min)
Zelfstandig oefenen: Vraag 7, 8, en 9               (15min)
Huiswerk: Vraag 6, 7, 8 en 9
Evaluatie:                                                                        (5min)

Slide 3 - Slide

Leerdoelen
1. Ik kan aangeven wat behoeften zijn

2. Ik kan basis behoeften en luxebehoeften onderscheiden

3. Ik kan uitleggen wat schaarste betekent en wat het voor jou betekent

Slide 4 - Slide

Terugblik

Slide 5 - Slide

Voorkennis
Er volgen vier stellingen.
Als je het eens bent met de stelling, ga je rechts in 
het lokaal staan.
Als je het oneens bent, ga je links in het lokaal staan.

Slide 6 - Slide

Stelling 1
Je moet altijd je zakgeld sparen

Slide 7 - Slide

Stelling 2
Een merkbroek is altijd beter dan een goedkope 
broek

Slide 8 - Slide

Stelling 3
Online winkelen is leuker dan naar de stad gaan

Slide 9 - Slide

Stelling 4
Reclame beïnvloed mij niet

Slide 10 - Slide

Instructie (1/2)
Behoefte = Iets missen waarmee een wens vervuld kan worden

Basisbehoefte = Dingen die je echt nodig heb om (goed) te kunnen leven

Luxebehoefte = Dingen die fijn zijn om te hebben maar niet nodig

Slide 11 - Slide

Welke behoefte?

Slide 12 - Slide

Welke behoefte?
Eten
Slaap
Medicijn/Rust
Geld

Slide 13 - Slide

Instructie (2/2)
Consumeren = Iets gebruiken om je behoeften te bevredigen
Consument = Iemand die consumeert
Consumptie = Het aantal gebruikt

Produceren = Iets doen of maken voor de bevrediging van behoeften
Producent = Iemand die produceert
Productie = Het aantal gemaakt 

Bevredigen = vervullen

Slide 14 - Slide

Consument of Producent?     

Slide 15 - Slide

Begeleid inoefenen

Slide 16 - Slide

Zelfstandig oefenen
Maak nu vraag 7, 8 en 9 op blz 42 en 43


Klaar? Dan mag je vraag 11 maken
Ook klaar?
Dan mag je een boek lezen of aan school werken


timer
15:00

Slide 17 - Slide

Huiswerk
Vraag 6, 7, 8 en 9 op blz 42 en 43

Slide 18 - Slide

Evaluatie
Wat vonden jullie van de les?


Wat vond ik van de les?


Wat kunnen we anders doen?

Slide 19 - Slide

Lesafsluiting
Wat is het verschil tussen basisbehoeften en luxebehoeften?

Wat betekent schaarste?

Noem drie voorbeelden van behoeften


Volgende les: Hoofdstuk 4 paragraaf 1

Slide 20 - Slide