Bewegen en samenleving BSM les 5

Bewegen en samenleving
Toets hoofdstuk 3 bewegen en samenleving
Woensdag 12 maart
10:15 t/m 11:15

1 / 10
next
Slide 1: Slide
BsmMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 10 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Bewegen en samenleving
Toets hoofdstuk 3 bewegen en samenleving
Woensdag 12 maart
10:15 t/m 11:15

Slide 1 - Slide

Vanaf 1900 veranderde er enkele zaken, waardoor wedstrijden meer karakter van sport kreeg.
Noem 2 zaken die hiervoor zorgde.

Slide 2 - Open question

1. Vanuit Amerika kwamen onder andere door het gebruik van een chronometer en het meetlint, de fenomenen 'het record' en 'de prestatie'.

2. Er kwamen, om het gebruik van de nieuwe regels beter te organiseren, steeds meer reglementen.

Slide 3 - Slide

Beargumenteer de beide kanten van deze stelling: ‘De beschikbaarheid van geld in de sport heeft enerzijds veel goeds gebracht, maar heeft de sport ook negatief beïnvloed.’

Slide 4 - Open question

Positief
  • Innovatie 
  • Bevorderen van de competitie, makkelijker van a naar b.




Negatief
  • Grotere sociale verschillen
  • Hoe meer geld hoe beter je bent.

Slide 5 - Slide

Noem het verschil tussen de Griekse oudheid en de middeleeuwen met betrekking tot de waardering van lichaam en geest

Slide 6 - Open question

Grieken:
grote aandacht voor het lichamelijke, het schone, mooie lichaam, waarin de
geest goed kon functioneren.

ME;
mede o.i.v. de opkomende invloed van de kerk: het geestelijke, het hogere kreeg
meer nadruk dat het lichamelijke, het aardse. Er was wel spel maar de nadruk
lag op het geestelijke.


Slide 7 - Slide

In de sport geldt de wet van de verminderde meeropbrengst.
A. wat houd deze wet in?
B. Geef een voorbeeld

Slide 8 - Open question

A.   In het begin leer je het meest, na
verloop van tijd gaan de vorderingen steeds langzamer


B.   Als je begint met je duurvermogen te
trainen ga je in het begin snel vooruit. Maar daarna wordt het steeds
moeilijker om progressie te boeken.

Slide 9 - Slide

Opdracht
Maak een groepje van 4 personen.
Per groepje krijg je zo te horen van welk hoofdstuk jullie 3 toets vragen gaan maken.

Zorg ervoor dat het openvragen zijn.

De vragen worden straks door de andere groepjes beantwoord.


Slide 10 - Slide