1MREc Goederen P2 Les 6 Kengetallen Bestelpunt

1MREc Goederenstroom
1 / 30
next
Slide 1: Slide
RetailMBOStudiejaar 1,4

This lesson contains 30 slides, with interactive quiz and text slides.

Items in this lesson

1MREc Goederenstroom

Slide 1 - Slide

Terugblik
  • Verschil tussen inkopen en bestellen: vaststellen van voorwaarden.
  • Informatiesysteem (!) bijhouden is enorm belangrijk, maar helpt daardoor ook met plannen.
  • Verpakkingen: voor de consument en voor transport. Verpakkingen: eenmalig of herbruikbaar (emballage). Emballage vereist vaak borg (statiegeld).
  • Geleidedocumenten: bewijsmateriaal en informatie voor controle. Wet goederenvervoer over de weg (Wgw).
  • Kwantitatieve en/of kwalitatieve controle, integrale of steekproef-controle. Afwijkingen noteren én communiceren.
  • MBTv-Lijst: Manco, Breuk, Te veel. Retourbon belangrijk, bewijsmateriaal.
  • Omgaan met afwijkingen: afspraken in leveringsvoorwaarden.
  • Magazijn kost geld, maar nee-verkoop ook. Balans vinden.
  • Magazijn indeling en plaats afhankelijk van type bedrijf, drukte, etc.
  • Distributiecentrum werkt als een centraal magazijn. 
  • Kans op schade verminderen op goederen én personeel, door geschikte hulpmiddelen te gebruiken en na te denken over de eigenschappen van de goederen.
  • Technische, economische en administratieve voorraad.

Slide 2 - Slide

Terugblik
  • Voorraadinventarisatie is nodig voor het opvangen van fouten. Zelf of uitbesteden.
  • Hierdoor blijft het informatiesysteem op orde en kun je juiste beslissingen nemen.
  • Inventariseren kan een behoorlijke kostenpost zijn, dus goed voorbereiden!
  • Methoden: integraal, steekproef, cyclisch, continu.
  • Voorraadkosten: rente, ruimte, risico.
  • Voorraadkostenpercentage nodig voor voorspellen kosten en beoordelen kosten uit verleden.
  • Voorraad nodig voor verkopen, maar ook kosten wegens vaststaand geld.
  • Inkoopwaarde van de omzet nodig voor bepalen verkoopprijs en winst.
  • Op basis van in en uitgaande waarde óf terugrekenen vanuit omzet.
  • Kengetallen reken je uit om je prestaties te beoordelen.
  • De prestatie van voorraad kun je meten met omzetsnelheid en omzetduur.
  • De omzetsnelheid kun je berekenen op basis van stuks, inkoopwaarde of verkoopwaarde. Daarbij moet je de gemiddelde voorraad ook gebruiken in stuks, inkoopwaarde of verkoopwaarde.

Slide 3 - Slide

P2 Les 5: Samenvatting

Slide 4 - Slide

Welke zaken horen bij bestelkosten?
A
Verzend- of transportkosten.
B
Personeelskosten.
C
Administratiekosten.
D
Alle antwoorden zijn juist.

Slide 5 - Quiz

Slide 6 - Slide

Inhoud Hoofdstuk 5
  • 5.1 Voorraad bij- en afboeken
  • 5.2 Kengetallen voorraadbeheer
  • 5.3 Omzetsnelheid
  • 5.4 Omzetduur
  • 5.5 Bestellen
  • 5.6 Bestelpunt
  • 5.7 Out of stock
  • 5.8 Servicegraad

Slide 7 - Slide

P2 Les 6: Inhoud
  • Paragraaf 5.6.
  • Wanneer precies bestellen?



Slide 8 - Slide


Op basis waarvan bepaal je of je een artikel besteld of niet?

Direct: bestelpunt op basis van afzet, pieken en levertijd.
Indirect: alle andere voorwaarden zoals bestelkosten.

Slide 9 - Slide

Bestelpunt:
De hoogte van de voorraad waarbij je moet gaan bestellen.

Slide 10 - Slide

Bestelpunt
Bestellen
Levering
Levertijd
Tussen bestellen en levering gaat de verkoop gewoon door!

Slide 11 - Slide

Bestelpunt
Bestellen
Levering
Levertijd
Je moet genoeg voorraad hebben om de levertijd te overbruggen + extra verkoop!

Slide 12 - Slide

Bestelpunt
Bestellen
Levering
Levertijd
Extra verkoop:
 

Veiligheidsvoorraad +
Normale verkoop (minimumvoorraad):

afzet x levertijd 

Slide 13 - Slide

Bestelpunt
Bestellen
Levering
Levertijd
Bij welke voorraad moet je gaan bestellen?

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Rekenvoorbeeld





Bestelpunt = 4 + 2 x 3 = 10 stuks
Veiligheidsvoorraad:
4
Levertijd
2 weken
Afzet:       
3 per week
Bestelmoment:
variabel

Slide 16 - Slide

Opdracht

  • Maak opdracht 26 in hoofdstuk 5.
timer
10:00

Slide 17 - Slide





a. Soms verkoop je meer dan normaal: veiligheidsvoorraad is om dat te kunnen doen.

b. Minimumvoorraad = 40 x 3 = 120
120 / 100 x 40 = 48

Slide 18 - Slide

b. Minimumvoorraad = 40 x 3 = 120
     Veiligheidsvoorraad = 120 / 100 x 40 = 48

c. Bestelpunt: de hoogte van de voorraad wanneer je moet gaan bestellen.

d. Bestelpunt = veiligheidsvoorraad + (levertijd × afzet) =
    48 + (3 × 40) = 168

Slide 19 - Slide

Bestelpunt vast bestelmoment
Bestellen
Levering
Levertijd + bestelinterval
Je moet ook de tijd overbruggen tot je weer mag bestellen!
Dat noemen we de bestelinterval. 

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Rekenvoorbeeld





Bestelpunt = 4 + (2 + 2) x 3 = 16 stuks
Veiligheidsvoorraad:
4
Levertijd
2 weken
Afzet:       
3 per week
Bestelinterval:
2 weken

Slide 22 - Slide

Formules
Variabel bestelmoment:


Vast bestelmoment:
+

Slide 23 - Slide

Let op!
Fout in theorie!

Vast bestelmoment:

Slide 24 - Slide

Opdracht

  • Maak opdracht 27 in hoofdstuk 5.
timer
10:00

Slide 25 - Slide

a. veiligheidsvoorraad + (bestelinterval x afzet) + (levertijd x afzet)




b. 20 + (2 + 4) x 10 = 80 stuks.

Slide 26 - Slide


c. 6 + (4 + 6) x 3 = 36





d. 5 + 1 x 3 = 8 

Slide 27 - Slide


e. 
Levertijd in weken, maar afzet in maanden.
Afzet per week = 40 x 12 / 52 = 9,23

Bestelpunt = 15 + 3 x 9,23 = 42,69 → dus bij 43 voorraad bestellen.

Slide 28 - Slide

P2 Les 6: Samenvatting
  • Bestelpunt = voorraadhoogte wanneer er besteld moet worden om nee-verkoop te voorkomen.
  • Veiligheidsvoorraad voor schommeling in vraag naar product.
  • Tijd tussen bestellen en levering moet je overbruggen.
  • Tijd tussen willen bestellen en bestelmoment moet je ook overbruggen.

Slide 29 - Slide

Opdracht vóór de volgende keer:

  • Kijk bij opdrachten in Teams.




  • Maak vragen 25 t/m 28 bij H5.
    (Goederenstroom en voorraadbeheer)


Slide 30 - Slide