NT2 A2 voltooid deelwoord oefenen TC 2.5

Goedemorgen
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Goedemorgen

Slide 1 - Slide

Hoe gaat het vandaag?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Pak je schrift en pen/potlood!

Slide 5 - Slide

Voltooid deelwoord
- werkwoord
- iets is voltooid (= klaar)
- Het staat (vaak) achteraan in de zin

Ik heb een ijsje gegeten.
Misha heeft iets leuks beleefd.
Mijn fiets moet morgen gemaakt worden.


Slide 6 - Slide

Hoe herken je een voltooid deelwoord?
1. Verandert niet als je de zin in een andere tijd zet
Ik fiets naar school. --> Ik fietste naar school.
Ik ben naar school gefietst. --> Ik was naar school gefietst.

Slide 7 - Slide

Hoe herken je een voltooid deelwoord?
2. Bij het voltooid deelwoord hoort een vorm van hebben, zijn  of worden
Ik heb een ijsje gegeten.
Mijn fiets wordt gemaakt. 

Slide 8 - Slide

Hoe herken je een voltooid deelwoord?
3. Begint vaak met ge-
gemaakt, gedaan, gewerkt, gegamed
- Soms ertussenin: opgeschreven, afgemaakt
- Soms met ver-, be-, her- of ont-: verloren, bezorgd, herinnerd, onthouden

Slide 9 - Slide

Hoe herken je een voltooid deelwoord?
4. eindigt bijna altijd op -en, -d of -t
-en voor sterke werkwoorden: gedronken, gebleven, geholpen
Soms alleen een -n: gedaan
-d/-t: voor zwakke werkwoorden: gewerkt, verdiend, gehuurd
--> taxikofschip!


Slide 10 - Slide

Hoe maak je het voltooid deelwoord?
  1. Kijk naar het hele werkwoord.                          werken       wonen  Haal -en weg.                                                           werk             woon
  2. Laatste letter in taxikofschip?                          werk             woon  JA    -> het voltooid deelwoord krijgt een t                                        NEE -> het voltooid deelwoord krijgt een d
  3. Schrijf ge- voor de ik-vorm en                     gewerkt     gewoond  een t of een d aan het einde

Slide 11 - Slide

Hoe herken je een voltooid deelwoord?
1. Verandert niet als je de zin in een andere tijd zet
2. Bij het voltooid deelwoord hoort een vorm van hebben, zijn of worden
3. Begint vaak met ge-
4. eindigt bijna altijd op -en, -d of -t

Slide 12 - Slide

Maak de voltooide
tijd

Slide 13 - Slide

Gebruik de
voltooide
tijd

Slide 14 - Slide

Vul in. Voorbeeld
koken                 Hij __________ rijst ____________


antwoord:        Hij heeft rijst gekookt.

Slide 15 - Slide

spelen
De kinderen _______ buiten _________

Slide 16 - Open question

huilen
De baby ______ vannacht __________

Slide 17 - Open question

tekenen
Agnes _____ een mooie bloem ______

Slide 18 - Open question

huren
Mijn familie _______ een boot ________

Slide 19 - Open question

smeren
Els _______ zalf op haar arm __________

Slide 20 - Open question

hoesten
Ik ________ vorige week veel _________

Slide 21 - Open question

Hoe heb je deze lessonup gedaan?
Ik maak veel fouten, want ik begrijp het niet.
Het gaat al steeds beter!
Het gaat goed, ik begrijp het
Ik vind het makkelijk. Ik heb bijna alles goed.

Slide 22 - Poll