Modale werkwoorden in de verleden tijd
Modale werkwoorden in de verleden tijd
Wiederholung
Onthoud de eerste letters van het rijtje werkwoorden
dürfen - können - mögen - müssen - sollen - wollen - wissen
En maak hiermee een voor jou makkelijk te onthouden zin,
bijvoorbeeld:
de klas moet maar snel weg wezen
En verlink deze letters in je hoofd met de Modalverben ....
Zoek de vertaling!
Niets is wat het lijkt!!!
kunnen
moeten (advies)
mogen
moeten (dringend)
werden
willen
lusten, houden van
weten
können
mögen
dürfen
zullen
wissen
müssen
sollen
wollen
Leerdoelen
Na deze les kun je...
... de modale werkwoorden in de verleden tijd vertalen
... de modale werkwoorden in de verleden tijd vervoegen
De rij die je al weet (TT):
dürfen --> mogen
können --> kunnen
mögen --> lusten, graag willen
müssen --> moeten
sollen --> moeten, zullen
wissen --> weten
wollen --> willen
Je weet wat het verschil is
müssen en sollen
müssen (= moeten als noodzaak, wetgeving)
sollen (= moeten als wens van een ander, bevel)
Hoe maak je de verleden tijd?
Verleden tijd van de modale werkwoorden:
De vormen van de modale werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd lijken sterk op de zwakke (=regelmatige) werkwoorden.
Je moet er een paar stappen ondernemen om de goede vorm te vinden:
Stappenplan modale werkwoorden (verleden tijd)
Je zoekt telkens eerst de stam (hele werkwoord -en).
2. Dan voeg je aan het einde van de stam -te voor de verleden tijd toe.
3. Hieraan voeg je (daar waar nodig) de uitgang toe.
Ich en er/sie/es krijgen na -te geen uitgang meer en zijn hetzelfde.
LET OP: In de verleden tijd van modale werkwoorden krijg je NOOIT een Umlaut!!!
Ww:
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
Sie/sie
dürfen
durfte
durftest durfte
durften
durftet
durften
können
konnte
konntest
konnte
konnten konntet konnten
müssen
musste musstest
musste
mussten musstet mussten
wissen wusste
wusstest wusste wussten wusstet wussten
wollen
wollte
wolltest
wollte
wollten
wolltet
wollten
Hebben müssen en können in de verleden tijd ook een Umlaut?
second
ja
nee
alleen bij enkelvoud
alleen bij meervoud
Gestern ……….. wir leider nicht (können)
second
können
konntet
könnten
konnten
Meine Eltern .... mit dem Bus fahren!
second
müssen
mussen
mussten
musste
...... du die Antworten?
second
Wusstest
Wusste
Wüsstest
Weisst
Warum .............. du gestern nicht mitkommen (wollen)
second
willst
wolltest
wollst
wollte
Hoe ziet de uitgang bij ich en bij er/sie/es eruit?
ich krijgt -te en er/sie/es krijgt -tet
ich en er/sie/es krijgen beide alleen maar -te
er/sie/es krijgt alleen een t
A, B en C zijn juist
Er .............. nicht in die Disko gehen (dürfen)
second
durfte
dürfe
durften
dürfte
Terugblik op de leerdoelen van deze les:
Na deze les kun je...
... de modale werkwoorden in de verleden tijd vertalen
... de modale werkwoorden in de verleden tijd vervoegen
CHECK: Heb je de leerdoelen behaald?
Ja, ik kan nu de modale ww. in de VT vertalen en vervoegen.
Ik weet nu hoe ik de modale ww. in de VT moet vertalen en vervoegen, maar moet dit nog vaker oefenen.
Nee, ik kan de modale ww. in de VT nog niet vertalen en vervoegen en heb nog extra uitleg nodig.