Hoofdstuk 18 - Bij de politie

Hoofdstuk 18
Bij de politie
aangifte doen
conjuncties
een gebeurtenis beschrijven
advies vragen en geven
g - sch - isch
1 / 48
next
Slide 1: Slide
NT2WOStudiejaar 6

This lesson contains 48 slides, with text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 18
Bij de politie
aangifte doen
conjuncties
een gebeurtenis beschrijven
advies vragen en geven
g - sch - isch

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Bij de politie 18.1 Dialoog
Dialoog hfd 18
Opdracht 1
Zet de gebeurtenissen in de goede volgorde

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

  1. De rits van Sams portemonnee is kapot.
  2. Sam koopt een nieuwe portemonnee.
  3. Sam zit op een terras met een collega.
  4. Sam wil afrekenen.
  5. Sam legt zijn portemonnee op tafel.
  6. De collega van Sam gaat naar de wc. 
  7. Sam ziet dat zijn portemonnee weg is.
  8. Sam blokkeert zijn pinpas.
  9. Sam gaat naar de politie.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

aangifte doen
de rits
ophalen
de bankrekening
het rijbewijs
de portemonnee
vervelend

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

conjuncties
onderschikkend
nevenschikkend
subordinate
coordinating

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Video

This item has no instructions

conjuncties
nevenschikkend
onderschikkend
subordinate
coordinating
because

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

conjuncties
onderschikkend
nevenschikkend
en - opsomming
of - keuze
maar - tegenstelling
want - reden
dus - conclusie
wanneer, als, terwijl, zodra, voordat, voor, toen, nadat, zolang als, totdat, sinds, doordat, zodat, waardoor, omdat, opdat, indien, mits, tenzij, hoewel, ofschoon, ondanks dat, zoals, alsof, dat, of…
subordinate
coordinating
Ik blijf thuis
want
ik ben ziek.
Ik blijf thuis
omdat
ik ziek ben.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Ik ga niet mee naar de bioscoop, want ik heb die film al gezien. 
coordinating

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Ik ga niet mee naar de bioscoop, omdat ik die film al heb gezien. 
Ik ga niet mee naar de bioscoop, want ik heb die film al gezien. 
subordinate
coordinating
hoofdzin - conjunctie - hoofdzin
hoofdzin - conjunctie - bijzin
conjunctie  - subj.   -  rest   -   werkwoorden

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Hoofdzin  - conjunctie  - subj.   -  rest   -   werkwoord(en)
Omdat ik die film al heb gezien, ga ik niet mee naar de bioscoop.
bijzin - conjunctie - hoofdzin inversie
Bijzin - conjunctie  - verb - subj.   -  rest 
Ik ga niet mee naar de bioscoop, omdat ik die film al heb gezien. 
hoofdzin - conjunctie - bijzin

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Hoofdzin eerst: 
hoofdzin - conjunctie - bijzin
als, omdat, zodra, terwijl, hoewel, nadat, toen en voordat
Ik ga niet mee naar de bioscoop. - hoofzin
Ik heb de film al gezien. - hoofdzin

Ik ga niet mee naar de bioscoop omdat ik de film al heb gezien.
Omdat ik de film al heb gezien, ga ik niet mee naar de bioscoop.
Bijzin eerst: 
conjunctie - bijzin - hoofdzin met inversie
AtotZin blz 143

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

veilige volgorde werkwoorden:
modaal werkwoord - infinitief
moeten, kunnen, willen, mogen, zullen / gaan + infinitief
We zijn op tijd opgestaan omdat we de trein moeten halen.
Omdat we de trein moeten halen, eten we een patatje bij Smullers.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

beide volgordes goed
hebben / zijn + participium
Het openbaar vervoer stopt de staking, zodra de eisen ingewilligd zijn.
Het openbaar vervoer stopt de staking, zodra de eisen zijn ingewilligd

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

aanstaande...
afgelopen
binnenkort
dan
eergisteren
... geleden
gisteren
komende ...
morgen
nu
op dat moment
op dit moment
ooit
over ...
overmorgen
straks
tegenwoordig
toen
vandaag
voorbij
vorige ...
vroeger

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 5 aangifte doen
Kopieerblad  35

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

conjuncties

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

schijfopdracht
opdracht 7

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

opdracht 8
de bioscoop







thuis







de politie







onbekend







Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Werkblad 4.12a 
A tot zin

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 9


A: Mijn portemonnee is gestolen. Wat kan ik het beste doen?
B: Je kunt het beste direct naar de politie gaan?

B: Ik wil vanavond naar de bioscoop. Wat moet ik doen?
A: Je moet online een kaartje kopen.
Kopieerblad 36

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Slide 23 - Video

This item has no instructions

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Op een mooie Pinksterdag
Als het even kon
Liep ik met mijn dochter aan het handje in het parrekie te kuieren in de zon
Gingen madeliefjes plukken
Eendjes voeren
Eindeloos
Kijk nou toch, je jurk wordt nat
Je handjes vuil
En papa boos

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Vader was een mooie held
Vader was de baas
Vader was een duidelijke mengeling van Onze Lieve Heer en Sinterklaas
Ben je bang voor 't hondje
Hondje bijt niet
Papa zegt dat ie niet bijt
Op een mooie Pinksterdag
Met de kleine meid
Als het kindje groter wordt
Roossie in de knop
Zou je tegen alle jongens willen zeggen: handen thuis en lazer op

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Hebt u dat nou ook meneer?
Jawel, meneer
Precies als iedereen
Op een mooie Pinksterdag
Laat ze je alleen
Morgen kan ze zwanger zijn
't Kan ook nog vandaag
't Kan van de behanger zijn of van een Franse zanger zijn
of iemand uit Den Haag
Vader kan gaan smeken
En gaan preken
Tot hij purper ziet
Vader zegt: pas op, m'n kind
Dat hondje bijt
Ze luistert niet

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Vader is een hypocriet
Vader is een nul
Vader is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwekul
Ik wou dat ik nog één keer
Met mijn dochter
Aan het handje lopen kon
Op een mooie Pinksterdag
Samen in de zon

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 10
Je kunt over iets vertellen met getallen.
Voorbeeld: 
A: gaat over zijn vakantie vertellen. Hij schrijft deze getallen op: 
3 - 14 - 3,5 -  684 - 2 Cursist B moet vragen stellen en raden wat de getallen betekenen.

B: 3 - Betekent dat drie weken? Of drie dagen? Of is het iets met de tijd?
A: Nee, ik was met drie vrienden op vakantie.
B: En 14? Was je 14 dagen weg?
A: Ja, dat klopt

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

extra luisteropdracht
TT2, hfd 8 opdracht 6 en 7, bladzijde 205

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

extra grammatica-opdracht
NT2 oefeningen bijzin - hoofdzin en omgekeerd

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Oefentoetsen spreekvaardigheid A2

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

uitspraak
opdracht 11

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Kopieerblad 34. Zoek de verschillen.
Woorden om de plaats aan te wijzen: linksboven, rechtsonder, naast

Slide 35 - Slide

De vijf verschillen zijn: de poes, de hond, de bloemen, het aantal ramen en het aantal bonbons
werkwoorden 

Slide 37 - Slide

This item has no instructions

Laatste les voor de TOA-toetsen
  • Heeft iedereen zijn account gecontroleerd?
  • Uitreiking bewijzen van deelname en resultaten:
     woensdag 28 januari 2026
    lokaal SA 104
    iedereen is welkom!
  • startdatum nieuwe cursus: in de week van 2 februari 2026
    kosten: 990 euro
  • inventarisatie keuze: zie mail 15-12-25  10.45 uur

Slide 38 - Slide

This item has no instructions

Laatste les voor de TOA-toetsen
  • Spreekoefening omdat | want (dia 21)
  • herhaling er

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Werkblad 4.12a 
A tot zin

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

Slide 41 - Slide

This item has no instructions

Herhaling 'er'
Wat is 'er'?
'Er' is een klein woordje dat vaak voorkomt in het Nederlands. Vandaag leren we drie functies:
 

  1. Als verwijzing naar een plaats. Ik woon al jaren in Oisterwijk. Ik woon er graag.
  2.  Met telwoorden: Ik heb drie boeken → Ik heb er drie.
  3. Als indefiniet subject: Er staat een auto voor de deur. 


Slide 42 - Slide

This item has no instructions

Slide 43 - Video

This item has no instructions

Slide 44 - Video

This item has no instructions

Herhaling 'er'  plaats
Maak de zinnen korter met 'er'
Voorbeeld: Nobi slaapt in de woonkamer. Hij slaapt er vaak.


  1. Zij woont in Utrecht. Zij woont in Utrecht sinds 2018.
  2. Wij zijn in het museum. Wij zijn in het museum nu.
  3. Hij gaat naar de winkel. Hij gaat naar de winkel elke dag.

Slide 45 - Slide

This item has no instructions

Herhaling 'er'  aantal
Maak de zinnen korter met 'er'. We tellen het aantal.

Voorbeeld: Ik heb drie katten → Ik heb er drie.

1. Ik heb vijf boeken.
2. Zij heeft twee broers.
3. Wij hebben veel vrienden.
4. Heb jij drie kinderen?


Slide 46 - Slide

This item has no instructions

Herhaling 'er'  indefiniet subject
Vul in met 'er' (indefiniet subject)

1. Een fiets staat voor het huis, ik weet niet van wie de fiets is.   ______ staat een fiets voor het huis.


2.  In Amsterdam  wonen veel mensen. ____ wonen veel mensen in Amsterdam.

3. Morgen komt een nieuwe collega. Ik ken hem niet.  ______ komt morgen een nieuwe collega.


4. Veel boeken liggen op tafel. Geen idee welke. ______ liggen boeken op tafel.

Slide 47 - Slide

This item has no instructions

Herhaling 'er'
1. Schrijf 3 zinnen met 'er' als verwijzing naar plaats.

2. Schrijf 3 zinnen met 'er' + telwoord

2. Schrijf 3 zinnen met 'er' + als indefiniet subject

Slide 48 - Slide

This item has no instructions