Spaans gymnasium 2

El presente (perfecto)
1 / 13
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

El presente (perfecto)

Slide 1 - Slide

Presente

Slide 2 - Mind map

Repasar : PRESENTE

Slide 3 - Slide

Wat is de juiste vervoeging: Preferir (jij vorm)
A
Preferes
B
Prefieres
C
Prefiere
D
Prefere

Slide 4 - Quiz

Noem een onregelmatig werkwoord in de presente (tegenwoordige tijd)

Slide 5 - Open question

Presente perfecto

Slide 6 - Slide

Hulpwerkwoord HABER (hebben/zijn) 

Slide 7 - Slide

Je gebruikt de presente perfecto bij: 
  • gebeurtenissen uit het verleden die te maken hebben met het heden 
  • gebeurtenissen uit het verleden zonder concreet tijdstip 
De signaalwoorden die bij de presente perfecto horen zijn: 
  • hoy = vandaag 
  • esta semana = deze week 
  • este año = dit jaar 
  • alguna vez = ooit 
  • todavía no = nog niet
  • ya = al 
  • muchas veces = vaak 
  • no = niet 
  • nunca = nooit 

Slide 8 - Slide

Onregelmatige werkwoorden 

Hacer --> hecho = 
Decir --> dicho = 
Poner --> puesto = 
Ver --> visto = 
Ir --> ido = 
Ser --> sido = 
abrir --> abierto = 
escribir --> escrito = 
volver --> vuelto = 

Slide 9 - Slide

Opdracht: vervoeg
  1. poner, yo                 (presente)
  2. comer, nosotros      (presente perfecto)
  3. hacer, yo                  (presente)
  4. dormir , ellos           (presente perfecto)
  5. decir, tú                    (presente perfecto)
  6. desayunar, él            (presente)
  7. abrir, nosotros          (presente perfecto)
  8. hacer, vosotros        (presente perfecto)
  9. ser, tú                       (presente perfecto )
  10. volver, yo                  (presente perfecto)
  11. venir >ie, vosotros    (presente)
  12. decir > i , yo              (presente)
Vervoeg de volgende ww in de tijd die er achter staat:
timer
0:10

Slide 10 - Slide

¡A hablar! 
Zet de dingen die jij ooit hebt gedaan in de presente perfecto. Vertel deze aan je buurman/buurvrouw. Hij/zij antwoordt of hij dit ook wel/niet heeft gedaan. 
  1. Visitar España 
  2. Estar de vacaciones 
  3. Comer pizza 
  4. dormir todo el día 
  5. hacer camping 

Slide 11 - Slide

Noem 2 dingen die je deze les geleerd hebt

Slide 12 - Open question

Noem iets wat je nog moeilijk vind

Slide 13 - Open question