Ma 03-10-22 K1 L4

1 / 13
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

BR2F
Montag, 3. Oktober 2022

Slide 2 - Slide

die Planung
  • Volgende toets: PW
  • Grammatik F+G
  • Aufgabe 3 zusammen
  • Aufgaben (opdrachten)

Slide 3 - Slide

SO
Cijfers in magister
Inhalen:


Inzien? Nadat iedereen hem heeft gemaakt

Slide 4 - Slide

PW (3x)
Seite 48 t/m 51 Lernbox
  • Kapitel 1 Lektion 1 t/m 6 
  • Let op: Seite 51 Redemittel schreiben du–nl (i.p.v. nl-du) 
Grammatik
  •  Seite 11 Grammatik A: zwakke werkwoorden en werkwoordenlijst Seite 12
  • Grammatik B: het persoonlijk vnw. Seite 18
  • Grammatik C: haben en sein Seite 20 
  • Grammatik E: het vraagwoord 

woensdag 19-10

Slide 5 - Slide

Grammatik F
Lidwoorden

Slide 6 - Slide

Lidwoorden
de/het/een
Bepaald lidwoord: de/het
Onbepaald lidwoord: een

Lidwoord staat voor een zelfstandig naamwoord.
Zelfstandige naamwoorden zijn in het Duits:
mannelijk, vrouwelijk of onzijdig.

Slide 7 - Slide

der (mannelijk)
die (vrouwelijk)
das (onzijdig)
die (meervoud)
der Mann
die Frau
das Kind
die Kinder
de/het: bepaald lidwoord
een: onbepaald lidwoord
ein (mannelijk)
eine (vrouwelijk)
ein (onzijdig)
keine (meervoud)
ein Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
(geen)

Slide 8 - Slide

Grammatik G
bezittelijke voornaamwoorden

Slide 9 - Slide

bezittelijk voornaamwoord
mijn
jouw
zijn
haar
zijn
onze
jullie
hun
uw
mein(e)
dein(e)
sein(e)
ihr(e)
sein(e)
unser(e)
(m) euer, (v) eure
ihr(e)
Ihr(e)
  • Met een bezittelijk vnw geef je een bezit aan --> van wie iets is
Bv. mijn jas - de jas van mij
  • Het staat voor een zelfstandig naamwoord
  • Bij een vrouwelijk znw of meervoudsvorm krijgt het bezittelijk voornaamwoord de uitgang -e. Bij mannelijke en onzijdige NIET
Bv. v: Meine Schwester fährt nach Berlijn.
     mv: Meine Schwestern fahren nach Berlijn.
      m: Sein Bruder spielt Gitarre. 
      o: Sein Kind spielt Gitarre.

Slide 10 - Slide

1.4 Aufgabe 3
Seite 29 im Buch

Slide 11 - Slide

 Aufgaben machen
opdrachten maken
  • Was (wat)? 
Kapitel 1 Lektion 4: Aufgabe 1 t/m 3, 7, 8, 10, 12, 13

  • Wie (hoe)? Online of boek
  • Hilfe (hulp)? Buren, docent
  • Zeit (tijd)? 13:20
  • Fertig (klaar)? iets voor jezelf





An die Arbeit!

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide