Theaterbegrippen 2 meerkeuze-bovenbouw

Theaterbegrippen
Kunst Drama - oefentoets bovenbouw

LESDOEL: 
inzicht krijgen in hoe goed je de stof kent & kan toepassen
1 / 45
next
Slide 1: Slide
DramaMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Theaterbegrippen
Kunst Drama - oefentoets bovenbouw

LESDOEL: 
inzicht krijgen in hoe goed je de stof kent & kan toepassen

Slide 1 - Slide

LESDOEL:
inzicht krijgen in hoe goed je de stof kent & kan toepassen.
Ik schat in dat ik...:
A
... dit fantastisch ga doen; ik weet alles al
B
... dit best aardig ga doen; ik weet al veel
C
... vast wel een aantal dingen weet, maar ook best veel nog niet weet
D
... dit niet best ga maken; ik denk dat ik te weinig weet

Slide 2 - Quiz

Wat zijn de 5 'spelgegevens'?
A
kostuum-tekst-geluid-rekwisieten-decor
B
houding-gebaar-mimiek-tekst-geluid
C
rol-ruimte-actie-tijd-motief
D
wie-waar-wat-wanneer-waarom

Slide 3 - Quiz

waaruit bestaat 'non-verbaal spel'
A
geluid-attribuut-gezicht
B
bovenlichaam-onderlichaam-hoofd
C
houding-gebaren-mimiek
D
houding-decor-mimiek

Slide 4 - Quiz

wat kan concreet helpen om een personage met diepgang te spelen?
A
"doel-motief-conflict-strategie" bedenken voor je rol
B
kostuum zoeken dat bij je rol past
C
de 4e wand doorbreken
D
decor neerzetten zodat je richting publiek kunt spelen

Slide 5 - Quiz

de elementen uit de vorige vraag kun je uitwerken door deze zin specifiek in te vullen voor je personage:
A
mijn personage vindt... want...en...omdat....
B
mijn personage zegt... want...en...doet....
C
mijn personage wil... want...maar...dus....
D
mijn personage kijkt... voelt...hoort...proeft....

Slide 6 - Quiz

Wat betekent "ensceneren"?
A
mise-en-scene of 'in scene zetten'
B
De manier waarop de middelen zijn samengevoegd tot het geheel van de voorstelling
C
Een eigen scène schrijven, regisseren, vormgeven en zelf spelen
D
Dramatiseren van een scène, bv. vanuit een boek of werkelijke gebeurtenis

Slide 7 - Quiz

Leg uit wat "dramatiseren" is.
A
Een tragedie van een stuk maken
B
Vorm van toneelspelen waarbij spelers onvoorbereid zijn
C
Theatraal vormgeven van een verhaal of idee
D
Een toneelstuk maken vanuit een bestaande toneeltekst

Slide 8 - Quiz

Wat zijn de "theatrale middelen"?
A
Wie, wat, waar, waarom en waardoor?
B
Spelgegevens & Enscenering & Materiële vormgevingsmiddelen
C
Middelen om het theaterstuk naar een hoger plan te tillen
D
Vormgeven van een theaterstuk

Slide 9 - Quiz

wat is het verschil tussen een "objectieve" en een "subjectieve" uitleg / beschrijving
A
* objectief = wat je ZIET * subjectief = wat dat kan BETEKENEN
B
* objectief = FEITELIJK * subjectief = gebaseerd op een MENING
C
* objectief = BLIKRICHITNG van een speler * subjectief = BEWEGING van een speler
D
* objectief = DECOR * subjectief = de TEKST van een stuk

Slide 10 - Quiz

Hoe kun je een "decor" van een voorstelling 'objectief' beschrijven?
A
Kleur, vorm, materiaal, grootte, plaatsing in de ruimte
B
Kleur, bijzonder, handgemaakt, nep
C
Functie, kleur, sfeer, origineel, gek
D
Mooi, lelijk, materiaal, functie, effect

Slide 11 - Quiz

Wat bedoelen we met 'kap en grime'?
A
Verkleedspullen met een hoofdkap
B
Kapsels, schmink en make up
C
Make up en maskers
D
Make up artist

Slide 12 - Quiz

Wat is mise-en-scène?
A
Dans op het speelvlak
B
Positie/beweging ten opzichte van de ander
C
Handelingen
D
Positie ten opzichte van medespelers, decor en hoe de speler beweegt en handelt op het speelvlak

Slide 13 - Quiz

Wat zie je tijdens de 'expositie' van een toneelstuk?
A
De 5 w’s, behalve de ontwikkeling van de 'Wat'
B
Hoe het decor op het speelvlak staat
C
Samenvatting van het stuk
D
Introductie van de spelers

Slide 14 - Quiz

Wat is het 'motorisch moment'
A
Start van het conflict
B
Start van een actie
C
Einde van de actie
D
De afloop

Slide 15 - Quiz

Wat is een 'protagonist'?
A
Degene die de hoofdpersoon tegenwerkt
B
Een scheikundige substantie die voor een special effect zorgt
C
Een personage dat altijd hoge status heeft
D
De hoofdpersoon van het verhaal die je als publiek volgt

Slide 16 - Quiz

Wat is een 'antagonist'?
A
Het personage dat de hoofdpersoon helpt
B
Een personage zonder doel of motief
C
Het personage dat de hoofdpersoon tegenwerkt
D
Een acteur die elk spelaanbod blokkeert

Slide 17 - Quiz

Hoe kun je 'spanning' in een scène vergroten?
A
Dat lukt alleen met een vechtscene
B
Conflict vergroten / publiek meer informatie geven dan de personages / de climax uitstellen
C
Voordat je gaat spelen eerst uitleggen aan het publiek wie wat speelt
D
Door teksten en handelingen te herhalen en de emoties hetzelfde te houden

Slide 18 - Quiz

Wat hoort bij 'fysiek' spel?
A
Houding & beweging
B
Stem, houding en gezicht
C
Gezichtsuitdrukkingen met geluid en tekst
D
Dialoog en handelingen

Slide 19 - Quiz

Wat is 'mimiek'?
A
Mime technieken
B
Gezichtsuitdrukkingen
C
Lichaamshouding
D
Pantomime (concreet uitbeelden)

Slide 20 - Quiz

'Verbaal-spel' is...
A
spelen met mimiek en zinnen
B
Intonatie en tempo
C
geluiden en beweging
D
spelen met tekst

Slide 21 - Quiz

Wat is een 'actie'?
A
Het moment dat het stuk begint
B
Zichtbare ( en hoorbare-) start van de tekst
C
Spannende vechtscene
D
Een zichtbare handeling tijdens het spel

Slide 22 - Quiz

Wat is het tegenovergestelde van een 'Afgang' bij toneel?
A
Opkomst
B
Freeze
C
Off stage
D
Black out

Slide 23 - Quiz

Wat is een 'attribuut'?
A
Een rekwisiet
B
Hulpmiddel dat een rol ondersteunt
C
Spullen die typisch bij een personage horen
D
Decorstuk

Slide 24 - Quiz

Wat is een 'dramatische handeling'?
A
Een beweging die grotesk en dramatisch wordt ingezet
B
Eerste handeling in de spanningsboog
C
Een gebeurtenis in een gespeelde situatie
D
Een tragedie, waarbij beweging centraal staat

Slide 25 - Quiz

Wat is een 'spel impuls'?
A
Een spontaan idee of ingeving in spel
B
Zelf beginnen met spelen of aan andere spelers een spelaanbod geven
C
Eerste reactie op een actie, maar daar niets mee doen
D
Een fysieke tik waar je geen controle over hebt

Slide 26 - Quiz

Wat is een 'motief'?
A
Drijfveer voor het handelen van een personage
B
Motie aannemen
C
Inspiratie om het spel van het personage te vergroten
D
Een publiek motiveren mee te gaan in de denkwijze van de acteur

Slide 27 - Quiz

Wat is een 'type(-tje)'
A
Personage omschrijving
B
Personage dat met grote gebaren speelt en met een accent spreekt
C
Een rol waarbij 1 karaktertrek /emotie uitvergroot is uitgewerkt
D
Personage uit de commedia dell’arte

Slide 28 - Quiz

wat zijn voorbeelden van 'kunstdisciplines'?
A
theater - literatuur - podiumkunsten - beeldende kunst - dans - spoken word
B
performance - film - architectuur - literatuur - podiumkunsten - design
C
storytelling - fotografie - muziek - dans - videokunst
D
podiumkunsten - poëzie - muziek - dans - spoken word

Slide 29 - Quiz

Wat is 'pantomime'?
A
Een pan als rekwisiet voor de acteur
B
Mimespel tussen mannen die spelen met maskers
C
Een acteur omschrijft een onzichtbare deur of de geur van een roos
D
Een figuratieve en illustratieve vorm van non verbaal spel, waarbij iets vrij letterlijk wordt uitgebeeld

Slide 30 - Quiz

Wat is een 'tableau vivant' bij theater?
A
attributen in een stilleven
B
een Franse term voor theatertechniek
C
slow motion spel
D
een bevroren beeld dat gespeeld wordt door een acteur/actrice

Slide 31 - Quiz

Wat is een 'bijrol'?
A
De kleinste rol in een stuk/film
B
Een ondergeschikte rol in een toneelstuk/film
C
Het personage dat altijd bij de hoofdpersoon staat
D
Een understudy voor de hoofdrol van een stuk/film

Slide 32 - Quiz

Wat is een 'dialoog'?
A
Een stuk tekst voor 2 of meer personages
B
Een stuk tekst geschreven voor een Solo
C
Een stuk tekst, uitgevoerd door slechts 2 acteurs
D
Index van het stuk

Slide 33 - Quiz

Wat is een 'monoloog'?
A
Stuk tekst tussen 2 personages
B
Aaneengesloten tekst door 1 speler voorgedragen
C
Voor publiek als jezelf een presentatie over een onderwerp geven
D
Stuk tekst waarbij de hoofdpersoon het motorisch moment inzet

Slide 34 - Quiz

Wat doet een 'souffleur'?
A
Regisseur assisteren bij de repetities
B
Tekst meelezen en voorzeggen, indien nodig
C
Technisch ondersteuning verzorgen
D
Productionele taken, zoals het klaarleggen van de kostuums en make up

Slide 35 - Quiz

Wat bedoelen we met 'de Vierde wand'?
A
Achterwand
B
Wand waar de coulissen naartoe gaan bij een decorwissel
C
Denkbeeldige wand tussen speelvlak en publiek
D
Zijwand, waar vanuit de techniek is opgesteld

Slide 36 - Quiz

Wat is een 'coulisse'?
A
De achterwand waar je afgaat
B
Waar je staat te wachten, voordat je op moet
C
Beweegbaar zijstuk van een toneeldecor
D
Persoon die je helpt met de tekst, wanneer je een black out hebt

Slide 37 - Quiz

Wat is 'locatie theater'?
A
Een theaterstuk waarbij de locatie centraal staat
B
Wanneer een toneelstuk op een andere locatie dan in een theater wordt gespeeld
C
Een theaterstuk waarbij de acteurs de locatie uitvoerig uitbeelden
D
De locatie van het theater in een stad

Slide 38 - Quiz

Wat is kenmerkend voor 'slapstick'?
A
Praten met een accent
B
Lompe en seksuele grappen
C
Veel gooi- en smijtwerk
D
Handtastelijkheden, lawaai en platvloerse komedie

Slide 39 - Quiz

Wat is een 'metafoor'?
A
Beeldspraak; een indirecte verwijzing naar de werkelijkheid
B
Metamorfose van een personage
C
Metamorfose zichtbaar in mimiek en fysiek
D
Grootse aankondiging van een stuk

Slide 40 - Quiz

een voorbeeld van een verwijzing naar de werkelijkheid is NABOOTSING, dit betekent:
A
Een directe verwijzing naar de werkelijkheid. bv. een zoon komt ‘s nachts om 3 uur thuis, vader wordt boos omdat hij te laat is
B
Een spiegelscene; de ene speler doet de andere speler exact na in spiegelbeeld
C
Een speltechniek waarbij een aantal spelers de vorm namaken van een object met hun lichaam, bv. een auto vormen
D
Decorstukken die gebruikt worden om een ruimte na te maken, bv. een woonkamer met meubels

Slide 41 - Quiz

een voorbeeld van een verwijzing naar de werkelijkheid is OMKERING, dit betekent:
A
Het stuk begint bij het einde en we zien allerlei flashbacks tot de beginsituatie
B
De acteurs lopen en praten achterstevoren in een scene, bv. "Ollah laamella"
C
Het tegenovergestelde van de verwachting gebeurt, bv. de vader wordt boos omdat de zoon juist veel te vroeg thuis is
D
De acteurs spelen op de tribune en het publiek zit op het speelvlak

Slide 42 - Quiz

een voorbeeld van een verwijzing naar de werkelijkheid is ROLLENSPEL, dit betekent:
A
Elke acteur speelt een dubbelrol en wisselt regelmatig van kostuum
B
Een wedstrijd op het toneel tussen verschillende groepen spelers, het team dat het beste acteert wint
C
Toneel is altijd een rollenspel, want iedereen op het toneel speelt een rol
D
Het oefenen van gedrag in een nagespeelde situatie op verschillende manieren, bv. door de acteurs of door mensen in het publiek.

Slide 43 - Quiz

welke verschillende soorten 'conflicten' zijn er?
A
vechten - ruzie - schreeuwen - boosheid
B
innerlijk - onderling - attributen - decor
C
innerlijk - onderling - object - omgeving
D
emotie - karakter - object - omgeving

Slide 44 - Quiz

door deze toets heb ik geleerd
A
dat ik best al veel theatertermen ken
B
dat ik vaak twijfel over de betekenis van theatertermen
C
dat ik veel weet, maar het nog niet altijd kan toepassen in mijn spel
D
dat ik de stof echt moet herhalen en oefenen

Slide 45 - Quiz