Z2/ Week 38_3

Lesplanning

Lezen
Quiz
Uitleg
Taak /Aftekenen/Lezen
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1-6

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Lesplanning

Lezen
Quiz
Uitleg
Taak /Aftekenen/Lezen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen

Ik kan zelfstandig een les doorlopen.

Ik kan mij concentreren op mijn leesboek.

Ik ken de regels om de persoonsvorm tegenwoordige tijd te kunnen spellen. 

Ik kan de persoonsvorm tegenwoordige tijd op de juiste manier spellen. 




Slide 2 - Slide

QUIZ! Wat weet ik...?
Vul alle vragen serieus in, snap je iets niet? 
Opschrijven! Dan kan je het mij later vragen.

Slide 3 - Slide

Het gebeur... regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
A
gebeurd
B
gebeurt
C
gebeurdt

Slide 4 - Quiz

Als je verstandig bent, BRAND je daar je vingers niet aan.
A
pvtt
B
vd
C
pvvt
D
bn

Slide 5 - Quiz

(vinden) alsjeblieft mijn bankpas terug, voor er misbruik van wordt gemaakt.
A
Vond
B
Vindt
C
Vind

Slide 6 - Quiz

De stukken (kopiëren - tt) mijn secretaresse niet meer.
A
kopieert
B
kopieërt
C
kopiëren
D
kopieerde

Slide 7 - Quiz

Werkwoordspelling


In deze les krijg je uitleg over de spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (pvtt).

Slide 8 - Slide

Persoonsvorm

Voor een correcte werkwoordspelling, moet je altijd eerst een belangrijke vraag stellen. Namelijk:

Heb ik te maken met een persoonsvorm?

Slide 9 - Slide

Waarom?

Deze vraag is heel belangrijk. 


Kijk maar:

Hier is vorige week een ongeluk gebeur...  (Vul in)

Het is een gevaarlijk kruispunt. 

Best kans dat er nog eens een ongeluk gebeur.. (Vul in)

Slide 10 - Slide

Antwoord
Deze vraag is heel belangrijk. 
Kijk maar:

Hier is vorige week een ongeluk gebeurD.
Het is een gevaarlijk kruispunt. 
Best kans dat er nog een ongeluk gebeurT.

Slide 11 - Slide

 Persoonsvorm tegenwoordig tijd 
ik            loop                                                   word
jij            loop +t    maar   loop jij              wordt    maar  word jij
hij/zij    loop+ t.                                             wordt  

wij          lopen                                                 worden
jullie      lopen                                                 worden
zij (mv) lopen                                                  worden

Slide 12 - Slide

pvtt > kies de juiste vorm

Het eerste uur .... om 8.30u.
A
begin
B
begind
C
begint
D
begon

Slide 13 - Quiz

pvtt > kies de juiste vorm

De leerling .... zich om 8.00u.
A
meld
B
meldt
C
melde
D
meldde

Slide 14 - Quiz

pvtt > kies de juiste vorm

Ik .... zo moe van deze oefeningen.
A
word
B
wordt
C
werd

Slide 15 - Quiz

pvtt > kies de juiste vorm

Wie .... zich al?
A
verveelt
B
verveeld
C
verveeldt
D
verveelde

Slide 16 - Quiz

pvtt > kies de juiste vorm

.... je moeder het ook een goed idee?
A
vind
B
vindt
C
vond

Slide 17 - Quiz

pvvt > kies de juiste vorm

De leerling.... zich al snel.
A
verveeld
B
verveelde
C
verveeldde
D
verveelden

Slide 18 - Quiz

pvvt > kies de juiste vorm

Mijn buurman .... een bijzondere plant.
A
ontdekte
B
ontdektte
C
ontdekten
D
ontdekt

Slide 19 - Quiz

Ezelsbruggetjes
  • Vul op de plek van een werkwoord een vorm van lopen in. Dan weet/hoor je meteen of er een t moet komen, of  dat er hier een voltooid deelwoord staat. 
  • Hij verhuist morgen naar Groningen.
  • Hij loopt morgen naar Groningen.
  • Hij is gisteren naar Groningen verhuisd.
  • Hij is gisteren naar Groningen gelopen

Slide 20 - Slide

Smurfen kan ook!
Ik vind      - ik smurf          
jij vindt    - jij smurft
hij vindt  - hij smurft

vind jij    - smurf jij

Slide 21 - Slide

smurfT, dus: beantwoordt
smurfT, dus: rijdt
smurfT, dus:
houdt 
smurf, dus: meld

Slide 22 - Slide

Nog wat extra uitleg nodig?
Kijk dan het filmpje in de volgende slide.
Snap je het al? Sla dan het filmpje over.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Klaar?
Ga lezen of werk aan de taak.
Je mag ook komen aftekenen, zet je naam dan op het bord
Zorg dat maandag de taak van week 38 af is.

Slide 25 - Slide