di 13-4 V2A Grammatica 21

Programma groep 1 (op school)
1. Terugblik grammatica 20
2. Huiswerkopdrachten nakijken (2, 3, 5 en 6, p. 82-85)
3. Extra opdrachten nakijken
4. Grammatica 21: voornaamwoorden
5. Afsluiting en vooruitblik 
Programma groep 2 (thuis)

1. Maak opdracht 3, 4, 5 en 6 op pagina 87 van je boek
2. Maak de extra opdrachten naamwoordelijk gezegde (zie document Teams)
3. Zorg dat je om 11.47 uur terug bent in de les voor de afsluiting
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programma groep 1 (op school)
1. Terugblik grammatica 20
2. Huiswerkopdrachten nakijken (2, 3, 5 en 6, p. 82-85)
3. Extra opdrachten nakijken
4. Grammatica 21: voornaamwoorden
5. Afsluiting en vooruitblik 
Programma groep 2 (thuis)

1. Maak opdracht 3, 4, 5 en 6 op pagina 87 van je boek
2. Maak de extra opdrachten naamwoordelijk gezegde (zie document Teams)
3. Zorg dat je om 11.47 uur terug bent in de les voor de afsluiting

Slide 1 - Slide

Er zijn 9 koppelwerkwoorden. Welke zijn dat?

Slide 2 - Open question

Wat doet een koppelwerkwoord?

Slide 3 - Open question

Wat is het koppelwerkwoord in de volgende zin?
Mijn tante blijft op de hoogte van de laatste ontwikkelingen.

Slide 4 - Open question

Uit welke twee delen bestaat het naamwoordelijk gezegde?

Slide 5 - Open question

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zin? Schrijf het als volgt op: wd nwg = ... en nd nwg = ...

De gasprijzen zijn de laagste van de afgelopen periode.

Slide 6 - Open question

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zin? Schrijf het als volgt op: wd nwg = ... en nd nwg = ...

Telefoneren in stiltecoupés blijft irritant.

Slide 7 - Open question

Huiswerkopdrachten nakijken
Je hebt voor vandaag opdracht 2, 3, 5 en 6 op pagina 82-85 van je boek gemaakt.

Slide 8 - Slide

Opdracht 2
a blijft – kww
b wordt – kww
c wordt – hww, voorzien - zww
d is – hww, gehalveerd - zww
e moet - hww, gevierd - zww, worden – hww
f groeide – zww
g blijven – zww
h worden – hww, bewaard - zww


Opdracht 3 
a zijn – koppelt ‘de foto’s’ aan ‘indrukwekkend’
b blijf – koppelt ‘ik’ aan ‘altijd jong’
c werden – koppelt ‘tablets’ aan ‘dunner’
d is – koppelt ‘de hype’ aan ‘voorbij’


Slide 9 - Slide

Opdracht 5
a pv = wil; o = Ivar; ng = wil archeoloog worden
b pv = is; o = Quentin Tarantino; ng = is Amerikaanse filmregisseur, acteur en scenarioschrijver
c pv = was; o = zijn laatste film; ng =  was een herhaling van eerder werk
d pv = zijn;   o = de gasprijzen; ng = zijn de laagste van de afgelopen periode
e pv = blijft; o = telefoneren in stiltecoupes; ng =  blijft irritant
f pv = is; o = de inflatie; ng =  is de afgelopen maanden iets lager geworden
g pv = is; o = het downloaden van speelfilms; ng = is sinds 2016 ook voor consumenten illegaal
h pv = is; o = het fileprobleem; ng = is het afgelopen jaar veel groter geworden 
i pv =  bleek; o = de aanschaf van de hogesnelheidstrein; ng = bleek een fiasco 
j pv =  lijkt; o = dat; ng =  lijkt me nog niet zo eenvoudig

Slide 10 - Slide

Opdracht 6
a pv = is; o = schaken; g: is een denksport (nwg)
b pv = wordt; o = de hond; g = wordt geslagen (wwg)
c pv = blijft; o = hij; g = blijft staan (wwg)
d pv = blijft; o = Amurra; g = blijft altijd aardig en behulpzaam (nwg)
e pv = is; o = de rottweiler; g = is de afgelopen jaren de minst gekozen hond geweest (nwg)
f pv = was; o = Jelle; g = was (wwg)
g pv = zijn; o = overstromingen; g = zijn een groot risico geworden (nwg)
h pv = gooide; o = Steffen; g = gooide het bijltje erbij neer (wwg)

Slide 11 - Slide

Extra opdrachten nwg 1
1 Door de economische crisis is het btw-tarief 21%.
2 De toets voor Nederlands leek simpel.
3 Dit schilderij wordt mooi.
4 De nieuwe jongen heet Myron.
5 Ondanks zijn rijkdom is hij gierig gebleven.
6 Die sport lijkt mij op zonnige dagen fantastisch.
7 Haar zus is nooit mooi geweest.
8 Die voetballer zal nooit goed worden.
9 Bent u wel normaal

Slide 12 - Slide

Extra opdrachten nwg 2
1 Hij bleek onschuldig. = nwg
2 Jullie fototoestel is onvindbaar. = nwg
3 Die nieuwe lamp schijnt hartstikke . = wwg
4 Het concert schijnt uitverkocht te zijn. = nwg
5 Vandaag is het kind erg lastig. = nwg
6 Mijn vriend wil later pottenbakker worden. = nwg
7 Meike is op haar kamer. = wwg
8 Dat kleine kind wordt graag door zijn ouders gedragen. = wwg
9 Ondanks de vermageringskuren bleef hij een dikzak. = nwg
10 Dat vlees lijkt bedorven. = nwg

Slide 13 - Slide

Extra opdrachten nwg 3
1 Wanneer wordt prins Willem-Alexander onze koning?
2 Het boek 50 tinten grijs is een erotische roman.
3 Is Sarah nu echt zes geworden?
4 Dat vlees lijkt bedorven.
5 De voetbaltrainer is gediplomeerd.
6 Dat lijkt mij verkeerd!
7 De binnengehaalde oogst is minder dan vorig jaar.
8 Die tijdschriften schijnen ongelezen te zijn.
9 Zijn stijl van schilderen was anders.
10 Hij schijnt verstandiger te worden.

Slide 14 - Slide

Extra opdrachten nwg 4
1 Wij waren moe. = nwg
2 In korte tijd viel zij veel af. = wwg
3 De dief is na de inbraak onvindbaar. = nwg
4 Die oplossing leek mij goed. = nwg
5 Ze drinkt haar wijn snel op. = wwg
6 Wanneer is hij naar Hengelo verhuisd? = wwg
7 Ik ben hier! = wwg
8 De trein uit Utrecht zal te laat komen. = wwg
9 We waren allemaal vreselijk moe. = nwg
10 Met de dag werden de wielrenners rustiger. = nwg

Slide 15 - Slide

Grammatica 21
DOEL --> Je leert hoe je wederkerende, wederkerige, vragende en onbepaalde voornaamwoorden herkent in een zin. 

Slide 16 - Slide

Wederkerend voornaamwoord
Het wederkerend voornaamwoord (wederkerend vnw) verwijst naar het onderwerp van de zin: het onderwerp 'keert weer' (komt terug). 

Ik schaam me diep.
Je vergist je

Slide 17 - Slide

Wederkerig voornaamwoord
Het wederkerig voornaamwoord (wederkerig vnw) geeft aan dat twee personen een 'wederzijdse' handeling verrichten. 
De wederkerige voornaamwoorden zijn: elkaar(s), elkander(s), mekaar(s)

We zien elkaar vanavond. 
Sem en Indy groeten elkaar.

Slide 18 - Slide

Staat er in deze zin een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord?
We zijn toch op de wereld om elkaar te helpen?
A
wederkerig
B
wederkerend

Slide 19 - Quiz

Staat er in deze zin een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord?
Zij verheugde zich op zijn komst.
A
wederkerig
B
wederkerend

Slide 20 - Quiz

Staat er in deze zin een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord?
We moeten bij onszelf te rade gaan.
A
wederkerig
B
wederkerend

Slide 21 - Quiz

Staat er in deze zin een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord?
Ze waren aan elkander gewaagd.
A
wederkerig
B
wederkerend

Slide 22 - Quiz

Vragend voornaamwoord
Een vragend voornaamwoord (vr. vnw) vervangt een persoon of ding en staat vaak vooraan in een vraagzin.
De vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat, welk(e), wat voor (een)

Wie wil de tafel dekken?
Welke sufferd heeft dit gedaan? 

Slide 23 - Slide

Onbepaald voornaamwoord
Het onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw) verwijst niet naar specifieke personen of zaken, maar is algemeen. 
Het kan zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt worden. 
De onbepaalde voornaamwoorden zijn: iemand, niemand, (n)iets, wat, ieder(een), alle(s), andere(n), elk, sommige(n), verschillende, je, men, het

Iemand moet het zeggen.
Sommige dieren leven onder de grond.

Slide 24 - Slide

Staat er in deze zin een vragend of onbepaald voornaamwoord?
Wat voor een iPhone heb jij?
A
vragend
B
onbepaald

Slide 25 - Quiz

Staat er in deze zin een vragend of onbepaald voornaamwoord?
Iets wat niemand weet.
A
vragend
B
onbepaald

Slide 26 - Quiz

Staat er in deze zin een vragend of onbepaald voornaamwoord?
Weet jij wat voor een schrift handig is voor wiskunde?
A
vragend
B
onbepaald

Slide 27 - Quiz

Staat er in deze zin een vragend of onbepaald voornaamwoord?
Het vroor dat het kraakte.
A
vragend
B
onbepaald

Slide 28 - Quiz

Huiswerkopdrachten maken
  • Maak opdracht 3, 4, 5 en 6 op pagina 87 van je boek.
  • Deze opdrachten zijn huiswerk voor volgende fysieke les (volgende week dinsdag). 
  • Je krijgt de rest van de les de tijd om deze opdrachten te maken.
  • Je mag zachtjes overleggen met je buurman of buurvrouw.  

Slide 29 - Slide

Afsluiting en vooruitblik

Groep 2 (op school)
Programma volgende les: theorie voornaamwoorden
Huiswerk: maken opdr. 3, 4, 5 en 6 (p. 87)
Meenemen: boek, schrift, pen, leesboek
Groep 1 (thuis)
Programma volgende les: herhaling koppelwerkwoord, naamwoordelijk gezegde en werken aan de huiswerkopdrachten


Dinsdag 11 mei: deadline boekopdracht om 17.00 uur via SOM (de opdracht staat op SOM en op Teams)

Slide 30 - Slide