H5.3 + 5.4 gedrag

Gedrag H5.3 + 5.4
1 / 38
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

Items in this lesson

Gedrag H5.3 + 5.4

Slide 1 - Slide

Waarom onderzoek je gedrag?
  • Je kunt om verschillende redenen gedrag onderzoeken.

  • Een reden kan zijn om het dier goed te leren kennen. Zodat je sneller weet of een dier zich bijvoorbeeld wel of niet prettig voelt.

  • Ook als je een dier wilt trainen, moet je weten hoe het gedrag van dit dier is.

Slide 2 - Slide

Het onderdeel van de biologie dat gedrag bestudeert, heet ethologie. Hierboven zie je een etholoog.

Slide 3 - Slide

Hoe onderzoek je gedrag?
  • Gedrag kun je verdelen in kleine stukjes. Zo'n stukje gedrag noem je een handeling.

  • Bij het eten van bijvoorbeeld soep horen de handelingen:
'Lepel pakken'
'Lepel in de soep doen'
'Lepel in de mond doen'

  • Handelingen gebeuren in een bepaalde volgorde. Opeenvolgende handelingen heten een gedragsketen.

Slide 4 - Slide

Het gedrag 'naar de baas komen' bestaat uit verschillende handelingen.

Slide 5 - Slide

Ethogram
  • Een lijst met beschrijvingen van handelingen heet een ethogram.

  • Elke handeling krijgt een naam, afkorting en een omschrijving.

  • In een ethogram noteer je alleen feiten. Je beschrijft wat je ziet, maar geeft geen oordeel.

Slide 6 - Slide

Onderzoeksstappen
  • Het onderzoeken van gedrag loopt in vier onderzoeksstappen:

 1. Je neemt het gedrag waar en let op verschillende handelingen. Daar maak je een lijst van.

2. Je maakt een ethogram.

3. Met behulp van het ethogram volg je het gedrag van het dier. Je noteert gedurende een bepaalde tijd elke handeling die je ziet. Zo'n lijst met waargenomen handelingen en hoe vaak deze handelingen voorkwamen, heet een protocol.

4. Het protocol geef je overzichtelijk weer in bijv. een staafdiagram.

Slide 7 - Slide

Stap 1 'observeren'

Slide 8 - Slide

Stap 2 'ethogram maken'

Slide 9 - Slide

Stap 3 'protocol maken'

Slide 10 - Slide

Stap 3 'protocol maken'

Slide 11 - Slide

Stap 3 'protocol maken'

Slide 12 - Slide

Stap 4 'resultaten in diagram'

Slide 13 - Slide

Gedrag H5.4

Slide 14 - Slide

Welk gedrag hoef je niet te leren?
  • Baby's en jonge dieren kunnen meteen nadat ze geboren zijn als zuigen. Dit is aangeboren gedrag.

  • Aangeboren gedrag bestaat uit:
1. Reflexen: zoals de zuig- en slikreflex.
2. Erfelijk gedrag of instinctief gedrag: zoals het spergedrag bij vogels.

Dankzij aangeboren gedrag kunnen jonge dieren meteen na de geboorte overleven.

Slide 15 - Slide

Hoe leren dieren en mensen?
  • Door leren verfijnen dieren en mensen aangeboren gedrag en ze verkrijgen nieuw gedrag.

  • Er zijn 6 verschillende manieren van leren:
1. Inprenten
2. Gewennen
3. Trial and error
4. Imiteren
5. Inzichtelijk leren
6. Conditioneren

Slide 16 - Slide

Inprenten
  • In de eerste weken leren jonge dieren en baby's wie hun ouders zijn.

  • Baby's herkennen binnen 2 dagen de geur van hun moeder.

  • Een jonge eend dat uit zijn ei komt, leert direct de vorm en geluiden van zijn moeder herkennen.

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Gewennen

  • Mensen en dieren leren om niet op alle prikkels te reageren.

  • Vogels leren bijvoorbeeld dat vogelverschrikkers geen gevaar vormen. Ze zullen er dan niet meer op reageren.

Slide 19 - Slide

Trial and error
  • Leren met 'vallen en opstaan'.

  • Door uitproberen leren dieren bijvoorbeeld wat wel en niet eetbaar is.

  • Trial and error heet ook wel proefondervindelijk leren.

  • In het plaatje hiernaast zie je ook een voorbeeld van trial and error.

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Video

Imiteren

  • Leren door nadoen.

  • Hiernaast zie je dat welpen leren drinken door hun moeder na te doen.

  • Zo leren kinderen bijvoorbeeld met bestek eten. En leren vogels vliegen.

Slide 22 - Slide

Inzichtelijk leren

  • Leren door nadenken.

  • Dieren en mensen bedenken in hun hoofd hoe ze een probleem moeten oplossen.

  • De kraai hiernaast vult de vaas met stenen, zodat het water omhoog komt. Als het water hoog genoeg komt kan hij drinken.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Conditioneren
  • Leren door een verband te leggen tussen het gedrag en het gevolg daarvan.

  • De hond hiernaast heeft geleerd dat hij een beloning krijgt wanneer hij een trucje laat zien (op zijn achterpoten zitten), wanneer de baas dit vraagt.

  • Gedrag: op zijn achterpoten zitten. 
             Gevolg: Beloning (snoepje en vriendelijke woorden).

Slide 25 - Slide

0

Slide 26 - Video

Slide 27 - Slide

Waarom moet je oefenen?
  • Als je iets leert, ontstaan er nieuwe verbindingen tussen de zenuwcellen in de hersenen.

  • Als je iets leert, kun je het meestal niet meteen goed. Je moet daarvoor oefenen.

  • Door te oefenen maak je de verbindingen tussen de zenuwcellen sterker.

Slide 28 - Slide

Hoe train je dieren?
  • Dieren kun je trainen door conditioneren.

  • Met conditioneren beloon je dieren voor gewenst gedrag. Maar met conditioneren straf je een dier ook voor ongewenst gedrag.

  • Hiernaast zie je een voorbeeld van zindelijkheidstraining. In je boek vind je een voorbeeld over dolfijnen trainen.

Slide 29 - Slide

Normen en waarden
  • Mensen hebben beter ontwikkelde grote hersenen dan de meeste diersoorten. Hierdoor kunnen mensen nadenken over hun gedrag en hierover oordelen: goed of slecht.

  • Mensen hebben normen en waarden voor hun gedrag ontwikkeld.

  • Waarden geven aan wat mensen belangrijk vinden. Normen zijn de gedragsregels die bij een waarde horen.

  • Je leert wat er van jou verwacht wordt in het gezin, op school en later in de maatschappij.


Slide 30 - Slide

Rolpatronen

  • Bij mensen is er ook altijd een bepaald rolpatroon.

  • Dit zijn alle gedragingen die bij een rol horen. Bijvoorbeeld de rol van ouder, docent of kind.

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide


A
Conditioneren
B
Imitatie
C
Trial and error
D
Inprenten

Slide 33 - Quiz

Politiepaarden worden getraind met vuur en harde knallen. Hierdoor schrikken ze niet meer
A
Conditionering
B
Imitatie
C
Gewenning
D
Inprenting

Slide 34 - Quiz

Hierna staan twee beweringen over de verschillen tussen gedrag van mensen en het gedrag van dieren.
1. Bij dieren wordt het gedrag sterker bepaald door leerprocessen dan bij mensen.
2. Mensen kunnen, in tegenstelling tot dieren, hun gedrag beoordelen aan de hand van normen en waarden.
Welke van deze beweringen is (zijn) juist?

A
Alleen bewering 1
B
Alleen bewering 2
C
De beweringen 1 en 2
D
Geen van beide

Slide 35 - Quiz

Een hongerige kikker eet een wesp op en wordt gestoken. Voortaan laat hij alle geel-zwarte insecten met rust.
A
Gewenning
B
Inprenting
C
Trial and error
D
Conditionering

Slide 36 - Quiz

Een koekoek legt haar eieren in een nest van een andere soort. Dit is de zelfde soort als waarin ze zelf zijn grootgebracht.
A
Gewenning
B
Inprenting
C
Conditionering
D
Imitatie

Slide 37 - Quiz

Je ringtone is een toeter van een auto. Als een echte auto toetert heb je de neiging om je telefoon te pakken.
A
Inprenting
B
Conditionering
C
Imitatie
D
Gewenning

Slide 38 - Quiz