1. Om zes uur
komt Johan thuis.
2. Het eten staat al op tafel.
3. Zijn moeder kijkt boos.
4. Vader leest een krant.
5. Ze eten vandaag aardappels en spruitjes.
6. Johan trekt een vies gezicht.
7. Hij houdt niet van spruitjes.
8. Ze zeggen niet veel onder het eten.
9. Johan voelt zich niet op zijn gemak.
10. Hij denkt aan het gesprek met de rector