Les 6 26/27

Les 6 2026/2027
-
- Wat gaan we vandaag doen?
- Bespreking huiswerk;
- werkwoordspelling;
- werkwoordspelling verleden tijd.


1 / 85
next
Slide 1: Slide
Nederlands

This lesson contains 85 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 6 2026/2027
-
- Wat gaan we vandaag doen?
- Bespreking huiswerk;
- werkwoordspelling;
- werkwoordspelling verleden tijd.


Slide 1 - Slide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 2 - Slide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 3 - Slide

Werkwoordspelling

Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 6 - Slide

Even oefenen

Maak de volgende oefeningen

Slide 7 - Slide

Boris ........ aan geheugenverlies.

A
lijd
B
leid
C
lijdt
D
leidt

Slide 8 - Quiz

De knappe prins ........ de prinses uit de torenkamer (bevrijden).


Slide 9 - Open question

De beer ........ vervaarlijk.


bromd
brompt
bromt
brom
A
brom
B
bromt
C
brompt
D
bromd

Slide 10 - Quiz

............jij mij om mijn huiswerk vandaag in te leveren? (verbieden)

Slide 11 - Open question

Met deze uitspraak ........ de minister op de bezuiniging.
A
doeld
B
doeldt
C
doelt

Slide 12 - Quiz

De eekhoorn nam de nootjes mee en ........ ze nu op in de boom (peuzelen).

Slide 13 - Open question


Je ........ hier geen grappen over te maken.

A
behoort
B
behoord
C
behoordt
D
behoren

Slide 14 - Quiz

Nederland .......... in het oosten aan Duitsland (grenzen).

Slide 15 - Open question

Debbie heeft al de hele middag de slappe lach, ze ............. zachtjes achter haar hand (giechelen)
A
giecheld
B
giegeld
C
giechelt
D
giegelt

Slide 16 - Quiz


Slide 17 - Open question

Jij ........ maar met zo'n tante!

A
boffd
B
bofd
C
bofdt
D
boft

Slide 18 - Quiz

............ jij die hond die overal een de boom ....... even af? ((af)leiden, snuffelen).

Slide 19 - Open question

Annelies .......... van zwemmen in open water.
A
hout
B
houd
C
hou
D
houdt

Slide 20 - Quiz

Dat onkruid ........ er vrolijk op los (woekeren).

Slide 21 - Open question

Hij.......... en ........... hevig (uitglijden, bloeden).

Slide 22 - Open question

Mila ........haar treinkaartje aan de conducteur (afgeven).

Slide 23 - Open question

We gaan het nog even over de tekst van vorige week hebben
Kijk of mee op het scherm of lees de tekst nog eens via je eigen printje of telefoon.

Schrijf alle woorden die je niet begrijpt op.

Slide 24 - Slide

Leestekst
De transformatie van de binnenstad
De opkomst van het hybride werken heeft de dynamiek in moderne steden ingrijpend veranderd. Waar kantorensteden voorheen van negen tot vijf bruisten van de activiteit, kampen deze gebieden nu met een structurele leegloop op de traditionele 'thuiswerkdagen' zoals de woensdag en de vrijdag. 

Slide 25 - Slide

Leestekst
Deze verschuiving heeft verstrekkende gevolgen voor de lokale economie. Vooral de horeca en kleine detailhandel, die voorheen floreerden dankzij de dagelijkse stroom kantoorpersoneel, moeten hun bedrijfsmodel noodgedwongen herzien. Sommige ondernemers kiezen ervoor om hun openingstijden te verkorten, terwijl anderen zich richten op een compleet nieuwe doelgroep: de buurtbewoner in plaats van de forens.

Slide 26 - Slide

Leestekst
Critici waarschuwen dat deze ontwikkeling de sociale cohesie in stadscentra kan aantasten. Een verlaten zakendistrict straalt immers weinig gezelligheid uit en kan op den duur zelfs een gevoel van onveiligheid in de hand werken. Daarentegen zien stedenbouwkundigen juist een unieke kans om de leefbaarheid in de stad te vergroten. 

Slide 27 - Slide

Leestekst
Nu er minder parkeerplaatsen en kantoorruimtes nodig zijn, ontstaat er letterlijk ruimte voor vergroening en woningbouw. Door leegstaande kantoorpanden om te bouwen tot betaalbare appartementen, kan de binnenstad transformeren van een puur functionele werkplek naar een levendige, multifunctionele wijk waar wonen, werken en recreëren hand in hand gaan.

Slide 28 - Slide

Wat betekent de uitdrukking "hand in hand gaan" in de laatste zin van de tekst?
A
Dat verschillende functies elkaar tegenwerken.
B
Dat bewoners vaker samenwerken om de wijk schoon te houden.
C
Dat er strenge regels komen voor het gebruik van de openbare ruimte.
D
Dat verschillende elementen heel goed met elkaar gecombineerd worden.

Slide 29 - Quiz

Moeilijke woorden

Beantwoord de volende vragen:

Slide 30 - Slide

Wat betekent het woord 'forens'?

Slide 31 - Open question

Wat betekent 'de sociale cohesie'?

Slide 32 - Open question

Wat betekent het woord 'stedenbouwkundige'?

Slide 33 - Open question

Wat betekent het woord 'floreren'?

Slide 34 - Open question

Wat betekent het woord 'aantasten'?

Slide 35 - Open question

Wat betekent het 'in de hand werken'?

Slide 36 - Open question

Werkwoorden in de verleden tijd

We gaan dit nog eens kort herhalen
Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

Werkwoorden in de verleden tijd
Sterke en zwakke werkwoorden
Sterk: de klank verandert in de verleden tijd -> lopen/liepen
Zwak: de klank verandert niet in de verleden tijd  -> plakken/ plakten

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Video

Stappenplan voor de vervoeging van werkwoorden in de verleden tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 41 - Slide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 42 - Slide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> zwaaien
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> zwaai -> 'i'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik zwaai
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); hij
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'i" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Conclusie: Stap 8b: -> hij zwaaide (of zij zwaaiden)

Slide 43 - Slide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter-> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 44 - Slide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> kleden
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> kled -> 'd'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik kleed
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'd" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'd' een 't exkofschipletter? -> NEE
Conclusie: Stap 8b: -> zij kleedden (of hij kleedde)

Slide 45 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 46 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> bakken
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> bak -> 'k'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik bak
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); ik
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'k' een 't exkorfschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> ik bakte (hij bakte/ zij bakten)

Slide 47 - Slide

Werkwoord: vluchten
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 48 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> vluchten
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> vlucht -> 't'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik vlucht
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> Is de 't' een 't exkofschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> zij vluchtten (ik vluchtte en hij vluchtte)

Slide 49 - Slide

Slide 50 - Video

Even oefenen

Beantwoord de volgende vragen: vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

Slide 51 - Slide

Welke acteur ........ destijds zijn gewonnen Gouden Kalf uit een taxi?
A
gooidde
B
gooiden
C
gooyde
D
gooide

Slide 52 - Quiz

Mijn tante ......... de appel (schillen).

Slide 53 - Open question

Onze kip legde drie eieren en ........ deze in twintig dagen uit.

A
broeide
B
broedde
C
broede
D
broeidde

Slide 54 - Quiz

Papa is zijn smaak kwijt, hij ....... de saus niet (proeven)

Slide 55 - Open question

De oude man ........ zich een weg door de menigte.

A
baandde
B
baande
C
baanden
D
baand

Slide 56 - Quiz

Het was een chaos: alle leerlingen ........ door elkaar (praten).

Slide 57 - Open question

De onderzoeker ........ de oorsprong van zijn familienaam en schreef daar een artikel over.
A
herleide
B
herleidde
C
herleed
D
herleiden

Slide 58 - Quiz

De schoolkrantredactie.......... de burgemeester is (interviewen)

Slide 59 - Open question

Met deze uitspraak ........ de minister op de bezuiniging.

A
doeldde
B
doelde
C
doelte
D
doelden

Slide 60 - Quiz

Het vliegtuig........ midden in de woestijn (landen).

Slide 61 - Open question

Bert ........ mij gisteren een reep chocola.





A
geefte
B
gaft
C
gaf
D
geefde

Slide 62 - Quiz

Hij ................... (praten) urenlang over zijn plannen voor de toekomst

Slide 63 - Open question

In de herfst vallen de          van de bomen. (blad)

Slide 64 - Open question

Dictee
Schrijf op de volgende slide de door mij genoemde woorden op en als we klaar zijn druk ja pas op 'enter'.

Slide 65 - Slide


Slide 66 - Open question

Herhaling spellingsregel

In sommige woorden hoor je een 'c' die klinkt als 's' of 'k'

Slide 67 - Slide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 68 - Slide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 69 - Slide

Huiswerk: Nieuwe oefeningen

- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging t.t.-> zie huiswerk deze week
- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging v.t.-> zie huiswerk deze week





Slide 70 - Slide

Einde les
Ik geef je voor deze week niet heel veel huiswerk mee..

Gebruik je extra tijd om al het vorige huiswerk af te maken!!


Slide 71 - Slide

Een 'c' die klinkt als 's' of 'k'
Woorden met een 'c' zijn weetwoorden.
Als 's'-klank: De 'c' klinkt als een 's' wanneer er een e, i, y of ij achter de 'c' staat (zoals in citroen of cirkel).

Als 'k'-klank: De 'c' klinkt als een 'k' wanneer er een a, o, u of een medeklinker achter staat (zoals in clown of cadeau
 

Slide 72 - Slide

Woorden met 'c' klinkend als 's'
cel
cent
docent centrum
cirkel
centimeter cement
fascineer
fascisme

Slide 73 - Slide

Even oefenen

Vul de volgende oefeningen in

Slide 74 - Slide

De juf is jarig, ik ga haar ...


A
felisiteren
B
felicciteren
C
feliciteren

Slide 75 - Quiz

Alle kinderen staan in een ... circel

cirke
A

Slide 76 - Quiz

Alle kinderen staan in een ...


A
sircel
B
cirkel
C
circel

Slide 77 - Quiz

De winkel ... geen briefjes van 500 euro.

A
aksepteert
B
accepteert
C
akcepteert

Slide 78 - Quiz

Au! Die ... heeft scherpe stekels.


A
caktus
B
kactus
C
cactus

Slide 79 - Quiz

De artiesten in het ... zijn erg grappig.


A
circus
B
sirkus
C
cirkus

Slide 80 - Quiz

5. Onder de ... ziet de onderzoeker een virus.


A
microscoop
B
microskoop
C
mikroscoop

Slide 81 - Quiz

Welke woorden zouden hier staan?
a.u
.avia
.a.tus

Slide 82 - Open question

Welke woorden zouden hier staan?
a.eptatie
bro.oli
.ijfers

Slide 83 - Open question

Welke woorden zouden hier staan?
.itroen
.ontra.t
a.ijns

Slide 84 - Open question

Huiswerk
Nieuwsbegrip:
Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!";
Geef aan of je dit tekstniveau 'lastig' vindt;
Zoek 5 woorden die je niet begrijpt op in een woordenboek.

Slide 85 - Slide