Stap 1: Wat is het werkwoord? -> kleden
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> kled -> 'd'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik kleed
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'd" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'd' een 't exkofschipletter? -> NEE
Conclusie: Stap 8b: -> zij kleedden (of hij kleedde)