woordenschat week 6 A+B



woordenschat 
week 6 A+B
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsLager onderwijs

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson



woordenschat 
week 6 A+B

Slide 1 - Slide

Wat is de betekenis van het begrip 'kneuzing'?
A
Een snijwond door een scherp voorwerp
B
Beschadiging in je lichaam door een klap, val of stoot
C
Een ontsteking in de huid
D
Een breuk van een bot

Slide 2 - Quiz

Wat zijn de symptomen van een eerstegraadsbrandwond?
A
De huid is rood en er is bloeding
B
De huid is rood en een beetje gezwollen
C
De huid is wit of juist zwart
D
De huid is rood en er zijn blaren

Slide 3 - Quiz

Wat is de betekenis van het woord 'kalm'?
A
Luidruchtig en chaotisch
B
Zonder veel drukte, onrust of beweging
C
Georganiseerd en gestructureerd
D
Snel en hectisch

Slide 4 - Quiz

Wat is een ander woord voor 'ongeluk'?
A
Gelukkig toeval
B
Vreugde en geluk
C
brokken maken
D
Onverwachte vreugdevolle gebeurtenis

Slide 5 - Quiz

Wat is het gevolg van een kneuzing?
A
Gebroken bot, koorts, jeuk
B
Pijn, blauwe plek, zwelling

Slide 6 - Quiz

Wat is een verstuiking?
A
Gebroken arm, ontwrichte schouder, gescheurde spier
B
Oprekking of inscheuring van een gewricht of gewrichtsbanden zonder dat er een botbreuk is

Slide 7 - Quiz

Wat is verslikken?
A
Zo slikken dat iets in je maag komt
B
Zo slikken dat iets in je luchtpijp komt
C
Zo slikken dat iets in je slokdarm komt
D
Zo slikken dat iets in je keel blijft steken

Slide 8 - Quiz

Wat zijn schouderbladen?
A
Botten in je benen
B
Botten in je nek
C
2 platte botten boven je rug waar je armen aan vast zitten
D
Botten in je handen

Slide 9 - Quiz

Wat is de Hemlich-greep?
A
Techniek om ademhaling te vertragen
B
Techniek om rugklachten te verhelpen
C
Techniek om armen te strekken
D
Techniek om luchtpijp vrij te krijgen

Slide 10 - Quiz

Wat is een meldkamer?
A
Een politiebureau
B
Een plek waar mensen samenkomen
C
Een supermarkt
D
Centraal punt waar oproepen voor hulp binnenkomen

Slide 11 - Quiz

Wat is een slachtoffer?
A
Een professionele atleet
B
Een vrijwilliger in een ziekenhuis
C
Iemand die door een gebeurtenis, ongeluk gewond raakt
D
Een winnaar van een loterij

Slide 12 - Quiz